hoeveel combinaties zijn er mogelijk op een cijferslot met ...

Intro index fondsen kosten 2020

Vond het zelf lastig om het juiste index fonds te kiezen. Daarom heb ik een overzicht gemaakt van de echte kosten en een aantal belangrijke eigenschappen. Misschien voor anderen ook nuttig, dus daarom deel ik hem. Vorig jaar hetzelfde overzicht gemaakt, dit is de 2020 update. Heb dit jaar een iets andere structuur zodat er minder overlap zit tussen de posts. Ik zie steeds meer Engelstalige gebruikers in deze sub, de posts blijven toch in het Nederlands. Onderstaand verhaal is vanwege de specifieke belasting afhandeling eigenlijk alleen relevant voor mensen die langdurig in NL blijven.
Introductie
Om te kijken hoe goed een index fonds het doet kan je kan rendementen met elkaar gaan vergelijken zoals hier en hier. Maar verschillende index fondsen volgen verschillen indexen in verschillende valuta. Dus je komt al snel uit op appels met peren vergelijken. Een betere methodiek is om de echte kosten te bepalen uit de jaarverslagen zoals hier en hier. Alleen niet alle data is altijd te vinden in de jaarverslagen, dus moeten er vaak aannames worden gedaan.
Tracking difference aanpak
Mijn aanpak is om de Tracking Difference (TD) te bepalen. Zoals hier wordt uitgelegd is dat één van de beste methodes om te kijken hoe goed een index fonds zijn beloftes nakomt. Ik vergelijk de performance van een fonds tegen de performance van zijn bruto index. Ik pak dan de performance van een fonds waar alles in zit. Dus bijvoorbeeld "Total return by NAV" voor Vanguard en "Totaalrendement" bij iShares. In deze performance zit dividend, dividendlekkage, TER, interne fonds transactiekosten, opbrengsten van uitlenen etc. verwerkt. Bruto index gaat uit van geen belastingen of dividend lekkage. Als je bruto index – Total return by NAV doet komt je uit op de echte kosten all-in: de Tracking Difference. Let op: fonds aanbieders melden zelf soms ook een tracking difference. Maar dit is meestal tegen de netto index, en dat geeft dus nog geen compleet beeld. Door tegen de bruto index te vergelijken neem ik ook dividendlekkage mee.
Voorbeeldje voor VWRL: 2017 total return by nav: 23.98%. Total return van de bruto index: 24.6%. 24.6% – 23.98% = 0,62% tracking difference (TD) in dat jaar.
Nadeel is dat je met deze methode per kalender jaar moet vergelijken. Dit omdat hier meestal over gerapporteerd wordt. Een fonds kan op een bepaalde datum uit de pas lopen met de index. Hier kunnen dus wat verschillen ontstaan. Naarmate er een aantal jaren aan data beschikbaar is middelt dit verschil uit. Maar let dus op bij cijfers die maar op 1 of 2 jaar data zijn gebaseerd. Ik ga er vanuit dat het rendement wat in de fact sheets van de aanbieders wordt weergegeven met bruto dividend is.
Fonds types
In de lijsten met de resultaten zie je steeds "Fonds type" staan. Dit is van belang want dat bepaald vaak wat voor (goedkope) broker er mogelijk is:
Dividend belasting opmerkingen
Het "Fonds type" bepaald ook hoe het met dividend belasting gaat:
Algemene informatie per fonds aanbieder
Hieronder alvast wat informatie per aanbieder. Als de opmerkingen fonds specifiek zijn staan ze bij de betreffende resultaten pagina.
De Tracking Difference Resultaten
All World Portfolio's
Disclaimer: beschouw deze post niet als advies. Ik ben zeker geen financieel, fiscaal, belegging adviseur en of specialist. In bovenstaande tekst zitten vast fouten. Mocht dat zou zijn dan hoor ik het graag. Check altijd je zaken zelf voordat je keuzes maakt.
submitted by gerbenvl to DutchFIRE [link] [comments]

Overzicht kosten populaire trackers (simpele methode)

2020 update hier.
Vond het zelf lastig om de juiste index tracker te kiezen. Daarom een overzicht gemaakt van de echte kosten en een aantal belangrijke eigenschappen. Misschien voor anderen ook nuttig, dus daarom deel ik hem.
Aanpak
Je kan rendementen met elkaar gaan vergelijken zoals hier en hier. Maar verschillende trackers volgen verschillen indexen in verschillende valuta. Dus je komt al snel uit op appels met peren vergelijken. Een betere methodiek is om de echte kosten te bepalen uit de jaarverslagen zoals hier en hier. Alleen niet alle data is altijd te vinden in de jaarverslagen, dus moeten er vaak aannames worden gedaan.
Mijn methode: de bruto tracking difference bepalen. Ik vergelijk de performance van een tracker tegen de performance van de bruto index. Ik pak dan de performance van de tracker waar alles in zit. Dus bijvoorbeeld "Total return by NAV" voor Vanguard en "Totaalrendement" bij iShares. In deze performance zit dividend, dividendlekkage, TER, transactiekosten, opbrengsten van uitlenen etc. verwerkt. Bruto index gaat uit van geen belastingen / dividend lekkage. Als je bruto index – Total return by NAV doet komt je uit op de echte kosten all-in. Ik noem dit de tracking difference, afgekort tot TD. Let op: tracker aanbieders melden zelf soms ook wel een tracking difference. Maar dit is meestal tegen de netto index, en dat geeft dus nog geen compleet beeld.
Voorbeeldje voor VWRL: 2017 total return by nav: 23.98%. Total return van de bruto index: 24.6%. 24.6% – 23.98% = 0,62% tracking difference (TD) in dat jaar.
Nadeel is dat je met deze methode per kalander jaar moet vergelijken. Dit omdat hier meestal over gerapporteerd wordt. Een tracker kan op een bepaalde datum uit de pas lopen met de index. Hier kunnen dus wat verschillen ontstaan. Naarmate er een aantal jaren aan data beschikbaar is middelt dit verschil uit. Maar let dus op bij cijfers die maar op 1 of 2 jaar data zijn gebaseerd. Ik ga er vanuit dat het rendement wat in de fact sheets van de aanbieders wordt weergegeven met bruto dividend is.
Overzicht voor populaire index trackers
Overzichtje waarbij ik deze methodiek heb gedaan voor meerdere jaren voor een aantal trackers en dan het gemiddelde weergeef over die jaren. Dit is met de huidige TER (9-2019).
Tracker TER TD Uitlenen Over Tracker type Index
Vanguard VTI 0.03 0.01 Defensief 2010-2018 Amerikaanse ETF CRSP US Total Market
Vanguard VT 0.09 0.17 Defensief 2015-2018 Amerikaanse ET FTSE Global All Cap
ACTIAM AVIAW 0.15 0.17 Nee 2016-2018 Nederlands fonds via Euronext Fund Services MSCI (developed) World
Northern Trust World custom ESG 0.15 0.19 Nee 2016-2018 Nederlands fonds via de grootbanken MSCI (developed) World Custom ESG
Vanguard VXUS 0.09 0.22 Defensief 2015-2018 Amerikaanse ETF FTSE Global All Cap ex US
ACTIAM AVIAW (zonder esg overlay verschil) 0.15 0.25 Nee 2016-2018 Nederlands fonds via Euronext Fund Services MSCI (developed) World
Think Global Equity 0.17 0.40 Nee 2012-2018 Nederlandse ETF Solactive Global Equity
iShares Core MSCI World (IWDA) 0.20 0.48 Ja 2014-2018 Ierse ETF MSCI (developed) World
Vanguard FTSE Developed World (VEVE) 0.18 0.54 Defensief 2015-2018 Ierse ETF FTSE Developed World
Vanguard FTSE All-World (VWRL) 0.25 0.55 Defensief 2013-2018 Ierse ETF FTSE All World
Vanguard Global Stock Index Fund (Institutional Plus) 0.15 0.66 Defensief 2014-2018 Iers fonds via de grootbanken MSCI (developed) World
Vanguard Global Stock Index Fund (Investor) 0.30 0.82 Defensief 2014-2018 Iers fonds via Binck MSCI (developed) World
Alleen de CRSP en de FTSE All Cap indexen bevatten small caps. Alleen de FTSE Global en FTSE All World indexen bevatten Emerging Markets.
Tracker type opmerkingen
Type bepaald vaak wat voor (goedkope) broker er mogelijk is.
Dividend belasting opmerkingen
Bij uitkeren dividend aan de belegger:
Extra opmerkingen per aanbieder:
Amerikaanse Vanguard ETF's
Erg goedkoop vanwege dat men groot is en een coöperatieve eigendomsstructuur heeft. Ook geen winst oogmerk: de winsten gaan weer terug de fondsen in om de kosten te verlagen. TER van VT is recent verlaagd, TD zal daarmee ook wel steeds dichter naar de VTI/VXUS combi bewegen denk ik. Aankopen is lastig, zie opmerking eerder. Je hebt ook wat extra kosten om valuta om te zetten. Je kan ook te maken krijgen met Amerikaanse regels, zie hier. Plus let op of je wel dividend belasting in box 3 kan verrekenen.
Vanguard Europa
De andere Vanguard trackers uit het lijstje vallen onder Vanguard Europa. Vanguard Europa heeft niet de coöperatieve eigendomsstructuur zoals in Amerika.
VWRL is niet goedkoop, maar wel erg makkelijk. Veel spreiding in één tracker. Alleen small caps missen eigenlijk. Ietwat lastig zuiver aan te vullen. VWRL volgt een index van FTSE. Small caps trackers volgen meestal MSCI indexes. De normale FTSE index neemt een aantal bedrijven mee die bij MSCI onder small caps vallen. Dus je gaat wat overlap krijgen. Bijvoorbeeld Logitech, Galapagos en ASR vallen bij de normale FTSE er nog in, maar zitten bij MSCI in de small caps. Het zal wat wisselen, momenteel heb je een positie of 50 hierdoor dubbel. Zie meer info hier. VWRL keert dividend uit in dollars. Gratis aan en verkopen via de Giro omdat in kernselectie zit. Er is sinds kort ook een variant die dividend meteen door belegd.
De fondsen doen het iets minder dan de ETF's, waar dat in zit mij niet direct duidelijk. Ze zijn sowieso wat minder interessant omdat je bij wat duurdere brokers uit komt.
Vanguard geeft alle uitleen opbrengsten terug aan het fonds. Bij VWRL werd in 2018 zo’n 0.96% van het vermogen uitgeleend. Vanguard accepteert alleen cash of obligaties van een beperkt aantal krediet waardige landen als onderpand voor de lening. Volgens mij geldt ditzelfde ook grofweg voor de Amerikaanse Vanguard ETF's.
Northern Trust
Trackers doen het goed wat betreft kosten. Helaas alleen via de grootbanken of Meesman te krijgen. Daardoor raakt het voordeel waarschijnlijk snel kwijt door de hoge beheer kosten. Bij Meesman met hogere TER: 0.5 ipv 0.15, dus reken dat verschil er ongeveer bij.
Men volgt een custom index met een aantal ESG uitsluitingen die MSCI voor ze maakt. Hier kon ik bij MSCI geen fact sheets van vinden, dus dat maakt het minder transparant. Ik krijg geen info gevonden over welke bedrijven er waarom uitgesloten zijn. Het aantal uitsluitingen is ongeveer 81, die een gewicht van ongeveer 7,6% in de gewone MSCI index hebben. Let dus op dat deze index een afwijking kan geven tov de volledige index.
De fondsen gebruiken swing pricing. In de EBI staan uitstapkosten van tot wel 1%. Bij mensen die het hebben geprobeerd wordt er minder gerekend. Maar de tot 1% staat wel op papier, dus kan wel gerekend worden.
Op (kritische) vragen is de NT helpdesk niet behulpzaam. Ze willen geen particulieren helpen met vragen. Bij Vanguard, Actiam en iShares heb ik wel altijd nette en duidelijke antwoorden op mijn vragen gehad.
Meesman
De fondsen niet meer los vermeld omdat Meesman voor alle aandelenfondsen onderliggend naar Northern Trust is overgestapt. Hierdoor is Meesman een soort broker voor Northern Trust geworden. Een plus is dat Meesman een “Indexfonds Aandelen Wereldwijd (Compleet)” heeft. Onderliggend zitten daar Northern Trust fondsen in de juiste verhouding in. Je belegt dan met één fonds in alles, behalve Emerging Markets small caps. Dat is wel lekker makkelijk.
ACTIAM
Actiam Verantwoord Index Aandelenfonds Wereld (AVIAW) is een wat lastige. Ze hebben een aantal ESG uitsluitingen, maar benchmarken zich toch tegen de gewone MSCI index. Het geld wat ze niet in de bedrijven stoppen omdat die uitgesloten zijn stoppen ze in bedrijven met dezelfde risicokarakteristieken als de uitgesloten bedrijven. Zie de prospectus voor details.
Dit geeft een afwijking tov de index. Tot nu toe pakt dit goed uit. Het heeft een 0.08% positief verschil veroorzaakt in de afgelopen 3 jaren. Alleen dit is natuurlijk geen enkele garantie. Het aantal uitsluitingen is ongeveer 64, die een gewicht van ongeveer 4,5% in de index hebben. Je hier op twee manieren naar kijken voor de vergelijking. Beide heb ik in bovenstaande tabel staan:
Actiam was eerst van Vivat wat weer van het Chinese Anbang was. Vivat en dus ook Actiam is recent verkocht aan Athora. Geen idee of dit veranderingen gaat geven. In AVIAW zit al 2 miljard euro terwijl het pas een paar jaar bestaat. Dus men zal het hopelijk op dezelfde manier voortzetten.
Buiten de ESG uitsluitingen mist AVIAW Israël. Dit omdat dat land niet is opgenomen in de sub-fondsen waar AVIAW in belegt. AVIAW dicht het dividend lek, maar niet in de Pacific. Landen uit de Pacific hebben maar een klein aandeel in de index. Dus dit kost bij benadering 0.04% rendement.
De broker keuze zonder percentage beheer kosten is wel beperkt bij AVIAW.
Think
Dit moet je ding zijn. Gelijk gewogen index en wat minder spreiding dan de anderen.
iShares (Blackrock)
Eén van de grootste vermogensbeheerders van de wereld. Is iets goedkoper dan Vanguard. Kan komen doordat men fanatieker uitleent. Extra inkomsten zien er nu leuk uit. IWDA bijvoorbeeld nu + 0.03%. Maar weet niet hoe dat in crisis tijden gaat. iShares houdt 35% van de uitleen inkomsten zelf, dat kan een wat verkeerde prikkel geven. Gemiddeld leent IWDA zo’n 10% van het vermogen uit. iShares accepteert allerlei staatsobligaties en ook aandelen als onderpand voor de lening.
Conclusies
Wat betreft echte kosten lijken de TER en of een tracker wel of niet dividend efficiënt is de belangrijkste aspecten. Een ideale keuze zou voor mij een tracker zijn die de volgende aspecten heeft: lage TER, dividend efficiënt, nooit verrekenen bij de belastingdienst mislopen, volledige (publieke) index volgen, geen uitleen risico, eenvoudig aan te schaffen en weinig beheer kosten bij verschillende broker opties. Helaas bestaan dergelijke trackers voor Nederlanders niet zoals je boven hebt kunnen lezen :-) Het is aan jou om te kijken op welke aspecten je wat wil inleveren en zo dus je keuze kan bepalen.
1 Lynx kent wel beheerkosten. Maar vast van 5,- per maand waar je je transacties mee mag verrekenen. Boven de 100.000 helemaal geen beheer kosten meer. Wat ik hier dus voornamelijk bedoel is dat je geen aanvullend percentage beheer kosten over je portfolio hebt. Want dat maakt altijd flink verschil op langere termijn.
Disclaimer: beschouw deze post niet als advies. Ik ben zeker geen financieel, fiscaal, belegging adviseur en of specialist. In bovenstaande tekst zitten vast fouten. Mocht dat zou zijn dan hoor ik het graag. Check altijd je zaken zelf voordat je keuzes maakt.
submitted by gerbenvl to DutchFIRE [link] [comments]

Antwoorden op vragen van de leden Kerstens en Nijboer over drempels bij het gebruik van de blijverslening

Vragen van de leden Kerstens en Nijboer (beiden PvdA) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over drempels bij het gebruik van de blijverslening.   Vraag 1   Kent u het bericht ‘Lening voor thuiswonen vindt nauwelijks aftrek’? 1)   Antwoord   Ja.   Vraag 2   Kloppen de cijfers van BNR, die stelt dat de blijverslening sinds 2015 slechts 75 keer is verstrekt?   Antwoord   De Blijverslening is een product van het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), waarmee gemeenten en provincies inwoners kunnen ondersteunen bij het langer zelfstandig thuis wonen. SVn verzorgt de aanvraagprocedure, de financiële toets en verstrekt de lening. SVn heeft aan mij bevestigd dat de Blijverslening sinds de introductie 75 keer verstrekt is.   Vraag 3 en 4   Wat is de oorzaak dat deze leningsvorm nauwelijks aftrek vindt?   Is er genoeg bekendheid onder de doelgroep van het bestaan van deze lening?   Antwoord   In een enquête, uitgevoerd in mei 2018 in opdracht van Lang zult u wonen, is aan mensen van 55 jaar en ouder gevraagd of zij de Blijverslening kennen en wat zij hiervan vinden. Van de 3007 respondenten geeft 15 procent aan de Blijverslening te kennen.   Drie procent van de respondenten geeft aan gebruik te willen maken van de Blijverslening, 45 procent wil misschien van de lening gebruikmaken of weet het nog niet. Genoemde redenen om geen gebruik te willen maken van de Blijverslening zijn onder meer dat respondenten niet willen lenen of dat lenen vanwege voldoende eigen middelen niet nodig is.   SVn noemt als belangrijkste reden voor het geringe aantal verstrekkingen dat mensen niet gewend zijn om na te denken over hun toekomstige woonbehoefte. SVn adviseert gemeenten en provincies daarom om naast het onder de aandacht brengen van de Blijverslening ook in te zetten op bewustwording. SVn ziet dat gemeenten hiermee bezig zijn, campagnes worden of zijn inmiddels opgezet.   Vraag 5 en 6   Onder welke voorwaarden kan een blijverslening verstrekt worden? Zijn deze voorwaarden aantrekkelijk genoeg voor ouderen die hun woning graag zouden willen aanpassen?   Welke verschillen bestaan er tussen gemeenten wat betreft voorwaarden? Worden de mogelijkheden niet teveel door gemeenten beperkt?   Antwoord   In de handleiding "Toelichting op een Blijverslening en Algemene bepalingen voor geldleningen" vindt u alle algemene en overige voorwaarden die van toepassing zijn op de Blijverslening.   Gemeenten en provincies kunnen kiezen uit een consumptieve en hypothecaire variant. Daarnaast is vorig jaar de Verzilverlening geïntroduceerd, een hypothecaire variant met oprenting voor senioren met lage inkomens. Met de Verzilverlening kunnen senioren overwaarde vrijmaken zonder dat dit leidt tot extra maandelijkse lasten. In een verordening kunnen gemeenten en provincies nadere voorwaarden stellen aan onder meer de financieringscondities (zoals de maximale hoogte en looptijd van de lening), de bestedingsdoelen en de aanvrager (zoals de leeftijd en de mate waarin de te financieren aanpassingen bijdragen aan het langer thuis wonen van de aanvrager). Dit maakt lokaal maatwerk mogelijk. Het is aan gemeenten en provincies zelf om te bepalen in hoeverre de gestelde voorwaarden voldoende aansluiten op de lokale behoefte en beleidsdoelstellingen.   Vraag 7   Bent u bereid zich in te zetten voor meer bekendheid voor de blijverslening, zich ervoor in te zetten dat alle gemeenten de lening aanbieden en dat de voorwaarden voor de lening door gemeenten aantrekkelijk genoeg zijn?   Antwoord   Gemeenten maken zelf de afweging of zij de Blijverslening willen aanbieden en onder welke voorwaarden. Mijn beeld is dat gemeenten voldoende bekend zíjn met het bestaan van de Blijverslening. Momenteel bieden 104 gemeenten de Blijverslening aan. SVn biedt gemeenten en provincies ondersteuning om de kans op een succesvolle introductie van de Blijverslening te vergroten. Aandachtspunt daarbij is dat de doelgroep eerst bewust gemaakt moet worden van de voordelen van een veilige, comfortabele en toekomstbestendige woning. Vervolgens komt men tot de vraag of daar woningaanpassingen voor nodig zijn en hoe die gefinancierd kunnen worden, al dan niet met de Blijverslening. Het enkel onder de aandacht brengen van de mogelijkheden van de Blijverslening zal vaak niet voldoende zijn.   Samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, heb ik u vorig jaar de Actielijn Wonen en Zorg toegestuurd. Wij verwachten van gemeenten dat zij voldoende aandacht besteden aan het in kaart brengen van de lokale opgaven op het terrein van wonen en zorg. Met het ondersteuningsprogramma ‘Langer Thuis’ worden gemeenteambtenaren geholpen om de opgave in beeld te krijgen. Vervolgens kunnen gemeenten een lokale aanpak ontwikkelen om ouderen te helpen bij het proces om te bepalen of zij geschikt wonen. Indien dit niet het geval is kan woningaanpassing als oplossing in beeld komen. Bij de financiering van aanpassingen kan de Blijverslening een optie zijn.   Naast de Blijverslening zijn er ook andere opties om de woning levensloopbestendig te maken en om overwaarde vrij te maken. Ik heb vorig jaar signalen van deelnemers van het Platform hypotheken gekregen dat senioren vaak ten onrechte denken dat het afsluiten van een hypothecair krediet en het verzilveren van hun vermogen op latere leeftijd niet mogelijk is. Dit terwijl de afgelopen jaren veel belemmeringen voor senioren zijn weggenomen en het aantal producten om overwaarde te verzilveren is toegenomen. Ik heb Vereniging Eigen Huis en de ouderenorganisaties ANBO en KBO-PCOB hierop gewezen en gevraagd dit meer onder de aandacht te brengen. Vereniging Eigen Huis heeft sindsdien meermaals aandacht aan dit thema gegeven.   1) https://www.bnr.nl/nieuws/lifestyle/10375359/lening-voor-thuiswonen-vindt-nauwelijks-aftrek
  Datum: 13 mei 2019   Nr: 2019D19062   Indiener: ****   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Westerveld en Özütok over examens op Aruba, Bonaire en Curaçao

Hierbij zend ik u het antwoord op de vragen van de leden Westerveld en Özütok van GroenLinks van uw Kamer inzake Examens op Aruba, Bonaire en Curaçao.   De vragen werden mij toegezonden bij uw boven aangehaalde brief met kenmerk 2019Z10470.   De minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,   Arie Slob   Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Westerveld en Özütok (beiden GroenLinks) aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media inzake Examens op Aruba, Bonaire en Curaçao (ingezonden d.d. 24 mei 2019).   Bent u zich ervan bewust dat leerlingen op Aruba, Bonaire en Curaçao thuis voornamelijk Papiamento, Engels of Spaans spreken en slechts ongeveer 6 procent van de leerlingen thuis Nederlands spreekt?   Ja.   Bent u ermee bekend dat lesmethoden voor veel vakken op alle reguliere scholen op Aruba, Bonaire en Curaçao, maar ook het eindexamen in het Nederlands is? Zo ja, bent u het met ons eens dat de taal voor leerlingen een extra barrière is?   Ik ben bekend met het feit dat het Nederlands de instructie- en examentaal van het voortgezet onderwijs is op Bonaire en dat dit in Aruba en Curaçao op de reguliere scholen over het algemeen ook het geval is. De enige instelling voor voortgezet onderwijs die Bonaire kent, hanteert Nederlands als instructie- en examentaal. Dit uitgangspunt is wettelijk vastgelegd in artikel 8 van de WVO BES. Hiermee is na de staatkundige transitie aangesloten bij de praktijk en de wetgeving die op Bonaire onder het Land Nederlandse Antillen gold. De Bonairiaanse scholen zijn zich ervan bewust dat het lastig kan zijn voor leerlingen dat er een verschil is in de instructie- en examentaal op school en de taal thuis. Daarom geven zij momenteel uitvoering aan een gezamenlijke aanpak voor effectiever taalbeleid. Hiervoor heb ik tot en met kalenderjaar 2020 extra middelen aan deze scholen toegekend.   Aruba en Curaçao zijn zelfstandige landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. De keuze voor onderwijs en examinering in het Nederlands is een keuze die deze landen zelf maken. Ook hier geldt dat er sprake is van een voortzetting van een langjarige praktijk die als achtergrond kent dat veel leerlingen doorstromen naar het vervolgonderwijs in Europees Nederland. Voor Curaçao en Aruba geldt dat een met goed gevolg afgeronde havo- of vwo-opleiding een diploma oplevert dat toegang geeft tot het hoger onderwijs in Nederland. Vanwege de vergelijkbaarheid van het voortgezet onderwijs in het Caribisch en het Europees deel van het Koninkrijk wordt een deel van de vakken op de eilanden afgesloten met hetzelfde centraal eindexamen als in Europees Nederland.   Bent u hierover weleens in gesprek gegaan met het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Duurzame ontwikkeling in Aruba, Curaçao en op Bonaire? Zo ja, hoe denken zij over deze kwestie?   In het Vierlandenoverleg Onderwijs en Cultuur voert minister Van Engelshoven gesprekken met de ministers van onderwijs van Aruba en Curaçao. Eén van de gespreksonderwerpen is de doorstroom van het Caribisch onderwijs naar het vervolgonderwijs in Europees Nederland en het studiesucces van de Caribische studenten in Nederland. Tijdens het Vierlandenoverleg in februari 2019 hebben de ministers onder meer een afspraak gemaakt over het inwerkstellen van een ambtelijke werkgroep die zich gaat buigen over dit thema. De Caribische landen maken gezamenlijk een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van deze aansluitingsproblematiek, waarbij ondersteuning vanuit OCW wordt verleend. Daarbij wordt ook een focus gelegd op het succes van studeren in de regio. De ingestelde werkgroep brengt in het najaar verslag uit. Ook de aansluiting van het onderwijs op Bonaire op vervolgonderwijs zal daarbij aandacht krijgen. Voor de Benedenwindse eilanden kan wel gezegd worden dat het taalbeleid een belangrijk, maar gevoelig thema is. In Aruba en Curaçao worden pilots uitgevoerd met meertalig, tweetalig onderwijs of het onderwijs af te sluiten met het Engelstalige examen van de Caribbean Examination Council.   Tijdens het Vierlandenoverleg is door Aruba en Curaçao (en Sint Maarten) met de Nederlandse Taalunie een intentieverklaring getekend om gezamenlijk te werken aan een goed onderwijsaanbod Nederlands als Vreemde Taal in het onderwijs op de zes eilanden in het Caribisch deel van het Koninkrijk.   Heeft u een overzicht van de slagingspercentages van Nederland en Aruba, Bonaire en Curaçao van de afgelopen jaren? Klopt het dat er drastische verschillen zijn tussen de slagingspercentages? Klopt het dat het verschil voor een groot deel te wijten is aan de Nederlandse taal?   Ik beschik alleen over gegevens, zoals slaagpercentages, van de school op Bonaire waar het Nederlandse eindexamen wordt afgenomen. Hieronder heb ik een tabel opgenomen waarin de slaagpercentages vanaf schooljaar 2015/2016 tot en met 2017/2018 vermeld staan. Daaronder zijn de slaagpercentages van Europees Nederland vermeld. Ik merk in de eerste plaats op dat het op Bonaire om zeer kleine aantallen leerlingen gaat die jaarlijks examen doen. Bij kleine aantallen leerlingen, kan één geslaagde leerling meer of minder percentueel een groot verschil opleveren. Op Bonaire betreft het iets meer dan 100 leerlingen per jaar. In Europees Nederland gaat het om meer dan 100.000 leerlingen. Dat neemt niet weg dat de slaagpercentages in het voortgezet onderwijs op Bonaire een behoorlijk stuk lager liggen. Dat is ook niet zo vreemd als bedacht wordt dat de basiskwaliteit door de Scholengemeenschap Bonaire pas in 2018 behaald is. De slaagpercentages in 2018 laten voor vwo en mavo al een flinke verbetering zien ten opzichte van 2017. Een van de verklaringen voor het nog tegenvallende cijfer voor het havo is dat er nog een onvoldoende goede determinatie plaatsvindt waardoor leerlingen niet altijd naar de voor hen meest passende soort onderwijs doorstromen. Bekend is daarnaast dat veel leerlingen toch graag een poging doen om het havo-diploma te halen omdat dit hun de mogelijkheid biedt om hoger onderwijs in Nederland te gaan volgen. Ik heb geen aanwijzingen dat het verschil in slaagpercentages voor een groot deel te wijten is aan het gebruik van de Nederlandse taal in het onderwijs.   Scholengemeenschap Bonaire examenuitslagen in percentages %   2015/2016   2016/2017   2017/2018   Vwo   67%   68%   83%   Havo   64%   59%   60%   Mavo / Vmbo (tl)   73%   66%   86%   Slaagpercentages Europees Nederland   2015/2016   2016/2017   2017/2018   Vwo   91,2%   91,0%   91,9%   Havo   88,6%   87,2%   88,1%   Vmbo (tl)   94,8%   92,9%   92,5%   Deelt u de mening dat behalve de taal, ook de Nederlandse context in de vraagstellingen van de eindexamens een rol kan spelen? Deelt u de mening dat van een leerling in Aruba, Curaçao en op Bonaire niet verwacht kan worden dat hij of zij de politieke of maatschappelijke Nederlandse context kent en dat dit het extra moeilijk kan maken om de aard van de vragen goed te kunnen begrijpen binnen de vakken waar de context niet is aangepast?   De context in de vraagstelling van de centraal eindexamens kan een rol spelen. Het College voor Toetsen en Examens laat op een beperkte schaal een beperkt aantal examens screenen. Waar er geen mogelijkheden zijn om de examens aan te passen en er daardoor geen eerlijke beoordeling plaats kan vinden wordt de N-term aangepast. Het uitgangspunt bij alle aanpassingen is dat enerzijds het niveau van het examen wordt gehandhaafd en anderzijds het werk voldoende goed herkenbaar en daardoor maakbaar is voor de leerlingen.   Kunt u zich voorstellen dat de volgende vraag tijdens het havo-examen Nederlands van dit jaar voor leerlingen uit Aruba, Bonaire en Curaçao extra moeilijk kan zijn, omdat het Nederlands niet hun moedertaal is: “Tekst 3 wordt vooral in het begin gekenmerkt door een spottende toon. Dat blijkt uit woordgroepen als: “verdraaid goed nieuws” (regel 1), “naast een uitstekend scrabblewoord” (regels 8-9) en “een voxpopje bij met blije sportschoolsenioren” (regel 17-18). Vraag 25 luidt als volgt: Citeer uit alinea’s 2 en 3 vier andere voorbeelden van woorden en woordgroepen die qua toon in dit rijtje passen”?   Bij de constructie van de examens wordt gecheckt of een tekst of context passend is voor de regionale omgeving. Eén van de richtlijnen is om hierbij aan de leerlingen op Caribisch Nederland te denken. Dit gebeurt aan de voorkant van het proces. Bij de constructie van de examens, wordt aandacht gegeven aan de geschiktheid van context en tekst voor de bedoelde doelgroep.   Bent u bereid om dit dilemma met het College van Toetsen en Examens te bespreken? Bent u bereid om examenvragen voor leerlingen op Aruba, Bonaire en Curaçao meer toe te spitsen op de context van de eilanden en dus vragen over het Nederlandse klimaat, politiek en maatschappij waar mogelijk te verminderen?   Zie antwoord op vraag 6.   Is het een optie om leerlingen op Aruba, Bonaire en Curaçao in de eigen taal of in het Engels onderwijs aan te bieden en Nederlands aan te bieden als een moderne vreemde taal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er nodig om dit te realiseren?   Zie het antwoord op vraag 2 en 3. Dat het Nederlands de instructie- en examentaal is op Bonaire laat onverlet dat het in praktijk is toegestaan dat een docent af en toe gebruik maakt van het Papiaments, Engels of Spaans als steuntaal. Dat Nederlands op de benedenwindse eilanden een vreemde taal is, wordt ook op Bonaire onderkend en wordt meegenomen bij het verbeteren van het taalbeleid in de scholen.   Is het een optie om examens op Aruba, Bonaire en Curaçao ook aan te bieden in het Engels? Zo nee, kunt u motiveren waarom niet?   Ik sta in zijn algemeenheid niet positief tegenover het aanbieden van de centraal eindexamens in meerdere talen. Examens in een vreemde taal kunnen niet simpelweg worden gerealiseerd door het vertalen van Nederlandse examens. Het College voor Toetsen en Examens voorziet dat het moeilijk wordt om de vereiste gelijkwaardigheid van deze examens ten opzichte van Nederlandse examens te garanderen. Daarnaast zou de examenproductie in het Engels voor alle examenvakken van verschillende schoolsoorten moeten worden uitgevoerd. Daardoor ontstaat een parallelle examineringsstructuur, waardoor hetzelfde niveau van dezelfde examens in de verschillende talen niet kan worden gegarandeerd. Ik vind deze uitvoeringsconsequenties te groot. Zowel principieel omdat de vergelijkbaarheid van examens in het geding komt, als financieel omdat er voor een relatief kleine groep leerlingen hoge kosten moeten worden gemaakt om de administratieve ondersteuningsstructuur in het examenstelsel aan te passen.     Is het een optie om lesmethoden beter toe te spitsen op de lokale situatie, waar dat nog niet gedaan is? Wilt u hierover met uitgeverijen en andere aanbieders in gesprek?   De markt voor lesmethoden die toegespitst is op de lokale situatie van de Benedenwindse eilanden is zodanig klein dat uitgeverijen en andere aanbieders in de praktijk dergelijke methoden over het algemeen niet ontwikkelen en dus ook niet aanbieden. Dat geldt met name voor Bonaire dat het enige van de drie Benedenwindse eilanden is waarvoor ik verantwoordelijkheid draag. De overheden van Aruba en Curaçao maken op zeer beperkte schaal methoden voor het onderwijs in eigen beheer. Met deze landen wordt bezien of deze methoden beschikbaar kunnen komen voor het onderwijs op Bonaire. Eveneens beziet de uitgever van de methode Nederlands Onder de Zon, die ontwikkeld is voor het onderwijs in het Nederlands als Vreemde Taal op de Bovenwindse eilanden, of deze methode geschikt kan worden gemaakt voor het onderwijs op de Benedenwindse eilanden. Daarnaast zijn er lesmethoden beschikbaar voor tweetalig onderwijs waar scholen desgewenst gebruik van kunnen maken. Uiteindelijk is het aan de scholen zelf om te bepalen welke methoden zij aanschaffen.   Bent u bereid om scholieren op Aruba, Bonaire en Curaçao, voor wie Nederlands niet de moedertaal is, extra tijd te geven bij hun examens? Zo niet, kunt u motiveren waarom deze scholieren met een taalbarrière geen, maar scholieren met bijvoorbeeld dyslexie wel extra tijd krijgen?   Nee. Aruba en Curaçao bepalen hun eigen onderwijs- en examineringsbeleid. Voor Bonaire geldt dat een eventuele taalbarrière van een andere orde is dan een beperking zoals dyslexie waarvoor het objectief gerechtvaardigd is dat een leerling extra tijd krijgt. Ik heb geen aanwijzingen dat het geven van extra tijd noodzakelijk zou zijn om er voor te zorgen dat examens voor de leerlingen op de Benedenwindse eilanden op een gelijke wijze de beheersing van de examenstof toetsen als in Nederland. Daar komt bij dat, zoals in beantwoording op vraag 5 is aangegeven, bij de examinering wel degelijk rekening is gehouden met de context en de vraagstelling in de examens.   Klopt het dat de scores van leerlingen uit Aruba, Bonaire en Curaçao worden meegenomen in de berekening van de N-term?   Nee, dat klopt niet. Aruba en Curaçao stellen hun eigen N-termen vast. Bonaire wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de N-term in Europees Nederland omdat de Scholengemeenschap Bonaire niet is aangesloten op het systeem voor het aanleveren van de gegevens.   Mocht het examen hetzelfde blijven, is het dan mogelijk dat voor Aruba, Bonaire en Curaçao een andere N-term wordt gebruikt bij examens zoals Nederlands (waar Nederlandse leerlingen een voordeel hebben), maar ook Spaans (waarbij leerlingen uit Aruba, Bonaire en Curaçao in het voordeel zijn) die aansluit bij de capaciteiten van leerlingen uit Aruba, Bonaire en Curaçao?   Zoals uit het antwoord op vraag 11 blijkt, kunnen Aruba en Curaçao een andere N-term vaststellen. Voor Bonaire wordt uitgegaan van de N-term van Europees Nederland, maar deze kan op beperkte schaal worden aangepast.   Kunt u deze vragen vóór het algemeen overleg examens op 12 juni 2019 te beantwoorden?   Ja.  
  Datum: 11 juni 2019   Nr: 2019D24140   Indiener: A. Slob, minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Beckerman over het grote tekort aan sociale huurhuizen

Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het grote tekort aan sociale huurhuizen. (ingezonden 29 maart 2019)   1)   Kent u het bericht en de oproep van Federatie Opvang dat het ‘tekort sociale huurwoningen is zo groot dat er een deltaplan nodig is'? 1) Wat is uw reactie daarop?     Ja, dat bericht is mij bekend.   2)   Hoe gaat u ervoor zorgen dat er snel structureel meer betaalbare, sociale huurhuizen komen, zonder dat de kwaliteit van de huizen achteruit gaat en zonder dat er wordt getornd aan huurdersrechten?     Het is belangrijk om een woning te hebben. In alle segmenten zijn momenteel tekorten, op lokaal niveau verschillen die sterk. Het woningtekort in Nederland heeft dan ook mijn bijzondere aandacht. Ik ben daarom volop bezig met maatregelen op alle terreinen van de woningmarkt. Ik pak de samenwerking met anderen op daar waar die het meest effectief is: regionaal, sectoraal en thematisch. Het gaat daarbij om maatregelen en afspraken die zich richten op het bouwen van meer woningen, maar zeker ook maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid. Zo werk ik aan de uitvoering van de Nationale Woonagenda, woondeals in gebieden met de meeste druk op de woningmarkt, een stimuleringsaanpak flexwonen om te zorgen voor meer tijdelijke woonruimte komt voor spoedzoekers (conform motie Ronnes c.s.), het Actieplan Dak- en Thuisloze Jongeren, de Meerjarenagenda Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang, het Actieplan Studentenhuisvesting, de Actie-agenda Vakantieparken, uitwerking van de aanbevelingen van de Samenwerkingstafel middenhuur, de actielijn Wonen en Zorg uit Programma Langer Thuis, en de evaluatie van de herziene Woningwet. Bovendien maak ik vaart met de uitwerking van afspraken uit het Sociaal Huurakkoord dat Aedes en de Woonbond met elkaar sloten. Daarmee hebben huurders de komende jaren meer zekerheid over de betaalbaarheid van hun woning.   Uiteindelijk ben ik niet degene die woningen bouwt, daar staan andere partijen voor aan de lat. Specifiek voor sociale huurwoningen gebeurt er al veel. Zo heeft Aedes in haar Woonagenda de ambitie uitgesproken om 30.000 woningen per jaar te bouwen en sloot zij met de Woonbond het Sociaal Huurakkoord om de betaalbaarheid van huurwoningen te borgen.   3)   Hoe gaat u ervoor zorgen dat de norm blijft dat mensen een vast en geen tijdelijk huurcontract hebben aangezien u en een deel van de Kamer ‘flexwonen’ wil stimuleren?   Voor mij is de norm dat het voor iedereen bereikbaar moet zijn om prettig en betaalbaar te wonen, ook als je met spoed een woning nodig hebt en nergens anders terecht kunt omdat je bijvoorbeeld onvoldoende inschrijftijd hebt opgebouwd. Flexwonen biedt voor spoedzoekers een uitkomst, al is dat maar voor een bepaalde periode. Het zorgt ervoor dat je snel een dak boven je hoofd hebt en niet verder in problemen terecht komt na bijvoorbeeld een scheiding, ziekte of ontslag. Daarmee heeft de woningzoekende tijd, rust en ruimte om een volgende stap voor te bereiden.     4)   Waar moeten bewoners van een tijdelijke woning naar toe als hun huurcontract afloopt maar er geen andere beschikbare en betaalbare woning is?     Bij het hanteren van tijdelijke huurcontracten is het perspectief op andere woonruimte na afloop van het huurcontract erg belangrijk. Het verschilt per regio en ook per woningzoekende hoe dat perspectief eruitziet en welke aanvullende acties daarvoor vanuit de verhuurder of de huurder nodig zijn. In de meeste woningmarktregio’s is het geen probleem om na afloop van een tijdelijk huurcontract van bijvoorbeeld twee (maximumduur tijdelijke overeenkomst voor zelfstandige woningen) of vijf jaar (maximumduur voor tijdelijke overeenkomst van onzelfstandige woonruimte) voor reguliere woonruimte in aanmerking te komen. Sommige spoedzoekers stromen op eigen initiatief na verloop van tijd uit naar een koopwoning of huurwoning in de vrije sector. Andere woningzoekenden hebben meer hulp nodig en worden daar vaak vanuit een flexibele woonoplossing bij geholpen. Veel gemeenten hebben er bovendien voor gekozen om de al opgebouwde wachttijd in het woonruimteverdeelsysteem niet te laten vervallen bij het aanvaarden van een flexibele woonoplossing met een tijdelijk contract. Zeker in kraptegebieden is dit een belangrijke maatregel.   Overigens is voor mij juist het bieden van perspectief voor spoedzoekers een belangrijke reden om in te zetten op flexwonen. Daarmee kunnen onwenselijke woonsituaties of dakloosheid voorkomen worden. Op maatschappelijk niveau kunnen we de kosten voor opvang en handhaving terugdringen en tegelijkertijd verloedering tegengaan door transformatie van leegstaande gebouwen naar flexwonenoplossingen.   5)   Hoe verhoudt uw beleid om de verkoop van sociale huurhuizen te stimuleren zich tot het tekort aan minstens 80 duizend sociale huurwoningen? Bent u bereid uw beleid te herzien en de verkoop aan derden, met name particuliere beleggers, te stoppen?   Beslissingen om sociale huurwoningen te verkopen worden door de corporatie gemaakt in overleg met de gemeente en de huurdersorganisatie. De omvang van de benodigde voorraad aan sociale huurwoningen, de samenstelling daarvan en de spreiding over de wijken zijn bij uitstek onderwerpen die aan bod komen in het overleg tussen corporatie, gemeente en huurdersorganisatie in het kader van het maken van prestatieafspraken. Dan zal ook blijken of er een overschot is aan bepaalde (typen) woningen, waarbij verkoop een optie is, en een tekort aan andere. Bij de vertaling hiervan naar de prestatieafspraken kan worden vastgelegd hoe groot de omvang van de sociale woningvoorraad moet zijn en/of welke woningen verkocht kunnen worden. Dit biedt een waarborg dat de sociale woningvoorraad van de gewenste grootte en samenstelling is. De opbrengsten van de verkopen kunnen worden aangewend voor de volkshuisvestelijke opgaven van de corporatie, waaronder nieuwbouw.   De verkoopregels worden in zoverre vereenvoudigd dat de thans voorgeschreven gemeentelijke zienswijze op verkopen kan vervallen indien er prestatieafspraken zijn gemaakt zoals hiervoor beschreven. Zijn deze prestatieafspraken er niet, dan blijft een gemeentelijke zienswijze verplicht. Overigens geldt deze regeling alleen voor potentieel te liberaliseren woningen, voor blijvend gereguleerde woningen blijft een zienswijze van de gemeente en van de huurdersorganisatie verplicht. Gegeven deze waarborgen is er geen reden om verkopen, waaronder verkopen aan beleggers, te stoppen.     6)   Zijn er nog steeds op korte termijn 10 duizend huurhuizen nodig of is dit aantal inmiddels gegroeid, omdat Federatie Opvang, GGZ Nederland en de RIBW Alliantie al in 2016 meldden dat er snel 10 duizend extra woningen nodig waren voor doelgroepen uit opvang en ggz? Wat heeft u sinds die oproep gedaan om mensen uit de maatschappelijke opvang en de ggz aan een betaalbaar huis te helpen? 2)   Hoeveel woningen precies op landelijk niveau nodig zijn voor mensen die door de ambulantisering van de ggz, het beschermd wonen en de maatschappelijk opvang zelfstandig (begeleid) gaan wonen is niet bekend. De vraag naar woningen met bijbehorende randvoorwaarden als passende begeleiding is een opgave die van regio tot regio verschilt en lokaal moet worden opgepakt. Gemeenten kijken hierbij breder dan alleen deze doelgroepen. Bij het door BZK en VWS gefinancierde kennis- en experimentenprogramma “Langer Thuis” van Platform31 wordt gekeken naar goede voorbeelden om de lokale opgave met betrekking tot wonen en zorg van gemeenten in beeld te brengen. In dat kader wordt ook een landelijke uitvraag gedaan bij gemeenten, naar of zij de opgave in beeld hebben voor specifieke doelgroepen zoals ouderen en doorstroom uit maatschappelijk wonen en beschermd wonen, en hoe groot die opgave is.   De staatssecretaris van VWS en ik stimuleren onder andere via de Nationale woonagenda en de Meerjarenagenda Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang dat gemeenten, corporaties, en huurdersorganisaties, bij voorkeur samen met zorgaanbieders en het sociaal domein, (prestatie)afspraken te maken over het beschikbaar maken van woonruimte voor mensen die uitstromen uit intramurale voorzieningen naar de wijk. In het kader van de Meerjarenagenda is bestuurlijk afgesproken dat regio’s in 2019 concrete uitvoeringsafspraken maken over de uitstroom uit beschermd wonen en maatschappelijke opvang, waaronder over het realiseren van voldoende beschikbare en betaalbare wooneenheden en een breed arsenaal van woonvarianten.   In recent onderzoek geeft 72% van de ondervraagde corporaties aan afspraken te hebben voor de directe bemiddeling van dergelijke groepen naar zelfstandige huisvesting.   Het is belangrijk om niet alleen afspraken over passende en de betaalbare huisvesting en de ontwikkeling van een scala aan diverse woonvormen te maken, maar juist ook over afspraken te maken over de noodzakelijke randvoorwaarden, zoals op- en afschaalbare begeleiding, spreiding over buurten, weten waar partijen terecht kunnen bij woonoverlast, het op orde krijgen van schulden, en een zachte landing van mensen in de wijk. In het kader hiervan ondersteunt het Rijk de uitbreiding van actieprogramma “Weer Thuis!” van initiatiefnemers VNG, Aedes, Federatie Opvang, Leger des Heils en de RIBW Alliantie met 10 extra regio’s. Bovendien is er vanuit het door BZK en VWS ondersteunde programma ‘Weer Thuis in de Wijk’ bij Platform31 een reeks aan relevante publicaties en leerkringen opgeleverd die lokale partijen helpen bij het in kaart brengen van de lokale opgave en het vormgeven van een goed samenwerkingsproces.   7)   Waar kunnen mensen terecht die urgent een woning nodig hebben, zoals mensen van wie hun relatie stuk loopt en zij toevallig wonen in een regio waar er woningnood heerst?     Mensen die urgent een woning nodig hebben in een regio waar schaarste is, kunnen afhankelijk van hun (financiële) mogelijkheden zelf woonruimte op de woningmarkt zoeken. Wanneer dat niet in de eigen regio mogelijk is, vergroot het de slagingskansen om het zoekgebied te vergroten.   Afhankelijk van het lokale beleid kunnen woningzoekenden in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Gemeenten kunnen dit verankeren in een huisvestingsverordening. In gemeenten zonder huisvestingsverordening beslissen corporaties zelf welke groepen in aanmerking kunnen komen voor urgentie.   Het verlenen van urgentie aan specifieke doelgroepen is een verdeling van schaarste op de woningmarkt. Het spreekt voor zich dat naarmate gemeente meer groepen aan urgentieregelingen toevoegt, deze aan kracht inboeten. In geval van schaarste is het daarnaast verstandig om lokaal de woningbouwplannen af te stemmen op de kwalitatieve woningbehoefte, zowel op de lange als de korte termijn. Naast reguliere huur- en koopwoningen kan ook een meer flexibele woningvoorraad helpen om mensen snel van een woning te voorzien. Met de stimuleringsaanpak Flexwonen zal het Rijk gemeenten en andere betrokken bij de totstandkoming van meer flexibele en tijdelijke woningen ondersteunen, conform motie Ronnes c.s. over een noodplan woningbouw. Daarmee wordt voorkomen dat groepen mensen hun toevlucht zoeken tot (informele) woonoplossingen die minder geschikt zijn, zoals het wonen op vakantieparken en jachthavens.   8)   Kunt u schematisch aangeven hoe u de tien aangenomen moties over het aanpakken van de woningnood onder met name kwetsbare groepen heeft uitgevoerd, per motie? Kunt u aangeven hoeveel extra betaalbare huurwoningen er bij zijn gekomen tussen 2015 en 2019 of vindt u dat de moties niet voldoende of naar behoren zijn uitgevoerd? 3)   Hieronder treft u een schema met verwijzing naar de stukken waarin de uitvoering van de betreffende moties is toegelicht.   Motie   Motienummer   Afgedaan   Berckmoes-Duindam c.s.   TK 2014-2015, 29 325 nr. 71   TK 2015-2016, 29 325, nr. 74   Voortman   TK 2015-2016, 34 300-XVIII, nr. 29   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   Bashir   TK 2015-2016, 19 637, nr. 2100   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   Berckmoes-Duindam c.s.   TK 2015-2016, 29 325, nr. 76   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   De Vries   TK 2015-2016, 32 847, nr. 230   TK 2016-2017, 32 847, nr. 294   Ronnes   TK 2016-2017, 29 453, nr. 444   TK 2018-2019, 32 847, nr. 428   Dik-FabeVoortman   TK 2017-2018, 34 775-XVIII, nr. 33   TK 2018-2019, 32 847, nr. 428   Koerhuis/Dik-Faber   TK 2017-2018, 32 847, nr. 396   Loopt mee in halfjaarlijkse rapportage over plancapaciteit   Ronnes c.s.   TK 2018-2019, 35 000-VII, nr. 52   In voorbereiding, zie ook TK 2018-2019, 32 847, nr. 472   Peters   TK 2018-2019, 35 000-XV, nr. 53   In voorbereiding   Het aantal goedkope huurwoningen (huurprijs onder de kwaliteitskortingsgrens van €414,02 in 2017) en betaalbare huurwoningen (huurprijs tussen de kwaliteitskortingsgrens van €414,02 en de aftoppingsgrens van €635,05 in 2017) in de corporatiesector bij elkaar opgeteld nam toe van 1.785.011 zelfstandige woningen begin 2015 tot 1.833.828 zelfstandige woningen eind 2017 (bron: verantwoordingsinformatie woningcorporaties). Dit is tevens het meest recente moment waarover de data beschikbaar zijn.   9)   Klopt het dat de wachttijden bij De Alliantie kunnen oplopen tot 20 jaar? Zo ja, hoe verklaart u dat? 4)   De genoemde wachttijd in het krantenartikel in “Almere deze week” d.d. 25 februari 2019 is een prognose. Of deze prognose realistisch is kan ik niet beoordelen. De wacht- en zoektijd voor personen die zich nu inschrijven is afhankelijk van de ontwikkeling van het aantal woningzoekenden, van de woningvoorraad en ook van de eisen die een woningzoekende aan een woning stelt.   In de woningnetregio Almere was de inschrijfduur bij verhuring in 2017 gemiddeld 8,6 jaar. Dit blijkt uit het onderzoek Stand van de woonruimteverdeling (zie volgende vraag). De zoekduur in deze regio is niet bekend, maar uit landelijke cijfers blijkt dat de zoekduur veel korter is dan de inschrijfduur.   10)   Wat is de laatste stand van zaken van wacht- en zoektijden in ons land voor sociale huurhuizen? Kunt u overzicht geven per woningmarktregio, en zo nee bent u bereid dat te onderzoeken?   Op 4 april heb ik twee onderzoeksrapporten aan uw Kamer gestuurd over wacht- en zoektijden: Stand van de woonruimteverdeling en Ruimte voor wonen, over de resultaten van het Woon Onderzoek Nederland 2018. Hierin worden de wacht- en zoektijden per regio beschreven. In de Staat van de Volkshuisvesting 2019 die in mei aan de Kamer wordt aangeboden zal ik ingaan op de uitkomsten.     11)   Hoe verhoudt het eisen van extra belastingen op sociale huurhuizen, in de vorm van de verhuurderheffing en de uitwerking van ATAD, zich tot het oplossen van de tekorten in de sociale huursector?   Corporaties zijn Vpb-plichtig, waardoor algemene fiscale maatregelen die de Vpb betreffen, zoals de ATAD-maatregelen, ook hen kunnen raken. Bij de verhuurderheffing is de grondslag de WOZ-waarde, waardoor in principe de heffingslast toeneemt als de WOZ-waarde stijgt.   Zoals aangegeven in mijn brief van 6 maart jl. zal ik onderzoek uitzetten naar de omvang en kosten van de maatschappelijke opgaven voor woningcorporaties in relatie tot de financiële slagkracht van de corporatiesector op lange en korte termijn, zowel landelijk als regionaal. Eind 2019 verwacht ik de Kamer de resultaten van deze onderzoeken te kunnen presenteren.   12)   Wat is uw reactie op de woorden van de bestuurssecretaris van Lefier die stelt: “Uitgelezen moment om de verhuurderheffing af te schaffen, onder voorwaarde dat wij corporaties elke euro die ons dat bespaart inzetten ten dienste van de volkshuisvesting”, gezien het begrotingsoverschot van maar liefst 11 miljard euro ? Bent u bereid om de extra belastingen voor de sociale huursector om te zetten in een investeringsplicht, zodat er meer geld vrij komt voor nieuwbouw, verduurzaming en lagere huurprijzen? 5) 6)     In reactie op de woorden van de bestuurssecretaris van Lefier stel ik vast dat corporaties in beginsel hun beschikbare middelen te allen tijde dienen in te zetten ten dienste van de volkshuisvesting. Dit geldt ongeacht een eventuele afschaffing van de verhuurderheffing. Ik ga ervan uit dat ook Lefier zijn middelen inzet ten behoeve van de volkshuisvesting.   Verder blijkt uit de verantwoordingsgegevens en prospectieve informatie van de corporaties en uit de indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties (IBW) dat in het algemeen geldt dat corporaties nog voldoende middelen hebben om te investeren. Dit geldt zeker op de korte termijn. Om corporaties toch te blijven stimuleren om te investeren, hebben we dit jaar de verhuurderheffing structureel met 100 miljoen euro verlaagd en is er een heffingsvermindering voor het investeren in verduurzaming geïntroduceerd. Hierdoor is er reeds meer geld vrijgekomen om te investeren. Desondanks blijf ik de investeringscapaciteit van corporaties in de gaten houden, onder meer via het aangekondigde onderzoek uit de brief van 6 maart jl., waarop ik in vraag 11 ook al ben ingegaan.   1) NOS, 24 maart 2019, https://nos.nl/artikel/2277427-tekort-sociale-huurwoningen-is-zo-groot-dat-er-een-deltaplan-nodig-is.html 2) https://www.opvang.nl/site/item/woningnood-kwetsbare-groepen-op-agenda-tweede-kamer 3) Tien aan aangenomen moties over aanpak woningschaarste voor m.n. kwetsbare groepen tussen 2015 en 2019 (bron: Federatie Opvang, brief 29 januari 2019, documentnummer 2019D03599) 1. 22 januari 2015 Motie van het lid Berckmoes-Duindam c.s. over de beschikbaarheid van voldoende betaalbare huurwoningen voor uitstroom maatschappelijke opvang. (29325, nr 71) 2. 8 oktober 2015 Motie Linda Voortman voor ontwikkeling actieplan nieuwkomers/herstarters op de woningmarkt (34 300 XVIII, nr 290) 3. 10 december 2015 Motie Bashir over meer betaalbare huurwoningen voor ouderen of mensen met een beperking. (19 637, nr 2100) 4. 17 maart 2016 Motie van het lid Berckmoes-Duindam c.s. over gemeenten stimuleren om de uitstroom uit de maatschappelijke opvang te bevorderen.(29325, nr 76) 5. 31 mei 2016 Motie Albert de Vries om maatregelen regering hoe deze op korte termijn gaat voorzien in behoefte aan betaalbare sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen. (32 847, nr 230) 6. 20 juni 2017 Motie Ronnes over een plan om het tekort aan geschikte huurwoningen voor verwarde personen weg te werken.(29 453, nr 444) 7. 11 december 2017 Motie Dik-Faber en Voortman over uitbreiding van het actieprogramma Weer Thuis. (34 775, nr 33) (motie is per einde 2018 uitgevoerd) 8. 29 mei 2018 Motie Koerhuis en Dik-Faber over tijdelijke huisvesting. (32847, nr. 396) 9. 12 november 2018 Motie Ronnes c.s. over oppakken van maatschappelijke opgaven door de corporaties (35000 VII, nr. 52) 10. 29 november 2018 Motie René Peters over een actieplan om uithuiszettingen te voorkomen (35 000 XV, nr 53) 4)http://www.almeredezeweek.nl/nieuws/1496512-woningnood-legt-druk-op-gezinsleven-karin-kleis-waterink 5) Twitter 26 maart 2019, https://twitter.com/ErikRTimmestatus/1110531601467953154 6) NOS, 26 maart 2019, https://nos.nl/artikel/2277617-begrotingsoverschot-stijgt-meer-dan-verwacht.html
  Datum: 6 mei 2019   Nr: 2019D18539   Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Diks over de opties rond de verhuizing van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn

Antwoorden op de vragen van het lid Diks (GroenLinks) over de opties rond de verhuizing van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn, ingezonden op 2 mei 2018 met kenmerk 2018Z08198.   1   Kunt u nauwkeurig laten berekenen wat het annuleren van het besluit tot verhuizing van de Van Braam Houckgeestkazerne te Doorn naar Vlissingen zou kosten en de resultaten hiervan aan de Kamer doen toekomen?1) Zo nee, waarom niet?   Ter voorbereiding van de bouw van de marinierskazerne in Vlissingen zijn de volgende kosten gemaakt:   € 15,5 miljoen voor de verwerving van bouwgrond en het bouwrijp maken van het gebied,   € 7,5 miljoen voor de eigen apparaatskosten van het ministerie van Defensie, en de advisering en de voorbereidende werkzaamheden van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voor de aanbesteding,   € 13,8 miljoen voor kosten die de provincie Zeeland heeft betaald (zie voor deze post ook het antwoord op vraag 5).   Deze posten bedragen in totaal € 36,8 miljoen. Daarnaast is het mogelijk dat, in het geval van het stopzetten van het aanbestedingsproces, de drie consortia die aan de dialoog deelnemen een vergoeding vragen voor de daadwerkelijk gemaakte kosten. Ik houd er rekening mee dat er in het geval van het annuleren van het besluit nog meer claims voor kostenverrekening worden ingediend en dit zal resulteren in hogere kosten voor Defensie. Bij het annuleren van het besluit tot verhuizing geldt nog steeds dat er een oplossing zal moeten worden gezocht voor de huidige verouderde huisvesting in Doorn.   2   Bent u bereid scenario's te onderzoeken waarbij de Van Braam Houckgeestkazerne na renovatie als volwaardige marinierskazerne in gebruik blijft en er in Vlissingen een nieuwe multidisciplinaire (voor onderhoud aan schepen, oefenplek etc.) kazerne wordt gebouwd met faciliteiten die momenteel in de rest van het land ontbreken? Zo nee, waarom niet?   3   Deelt u de constatering dat bij herbestemming van het beoogde kazerneterrein in Vlissingen ten behoeve van een multifunctionele kazerne voor het Rijk niet alle tot op heden gemaakte kosten voor niets waren? Zo nee, waarom niet? Welke kosten waren dan wel voor niets?   13   Bent u bereid met de gemeente Utrechtse Heuvelrug in gesprek te gaan om te bezien wat de mogelijkheden op het moment zijn en welke oplossingen eventueel kunnen worden gevonden voor de plannen die de gemeente inmiddels heeft voor het terrein van de Van Braam Houckgeestkazerne? Zo nee, waarom niet?   14   Bent u, mede gelet op de uitlating van voormalig minister Hans Hillen dat hij een scenario van instandhouding van de Van Braam Houckgeestkazerne nooit serieus heeft genomen2), bereid nauwkeurig en serieus te laten onderzoeken welke besparingen ten opzichte van het huidige besluit kunnen worden bereikt met het in stand houden van de Van Braam Houckgeestkazerne, zoals bijvoorbeeld besparingen op het gebied van verhuiskosten en het aantal boordplaatsers? Zo nee, waarom niet?   In het verleden zijn verschillende scenario’s ten aanzien van de mogelijkheden in Doorn, Vlissingen, De Peel en Budel verkend. Zoals blijkt uit de Kamerbrief van 10 april 2012 (Kamerstuk 32 733, nr. 59) en uit de brief van 22 juni 2012 met antwoorden op schriftelijke vragen (Kamerstuk 32 733, nr. 70) is de businesscase van de gemeente Utrechtse Heuvelrug indertijd bestudeerd. In een uitvoerige bijlage bij deze antwoorden ontving de Kamer het Onderzoek naar volledigheid financiële onderbouwing businesscase VBHKAZ en rapport Zeeland.   De realiteit is dat er in 2012 een besluit is genomen dat niet zonder consequenties kan worden teruggedraaid. Naar aanleiding van de signalen van vertrekkende mariniers wordt nu wel een analyse van de cijfers van de irreguliere uitstroom gemaakt. Hierbij wordt gekeken naar de eerste zes maanden van dit jaar.   4   Van welke totale kosten voor de bouw van de nieuwe marinierskazerne in Vlissingen gaat u momenteel uit? Hoe verhoudt die raming zich tot de oorspronkelijke raming voor een 'state of the art' kazerne zoals door uw ministerie gemaakt in 2012?   Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de commercieel vertrouwelijke bijlage bij deze brief. Dit antwoord gaat in op de bouwkosten. Daarnaast houdt Defensie in de financiering van het project rekening met exploitatiekosten. Uw Kamer wordt zoals gebruikelijk voorafgaand aan de gunning geïnformeerd over het te sluiten contract en de totale kosten.   5   Kunt u uw eerdere stellingname in antwoorden op Kamervragen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017-2018, nr. 1932), dat het annuleren van het verhuisbesluit "tientallen miljoenen euro's" zou kosten, financieel onderbouwen? Zo nee, waarom niet? Waaruit bestaan bijvoorbeeld de kosten á 13,8 miljoen euro, waarvan de provincie Zeeland zelf zegt dit uit te hebben gegeven aan de kazerne, terwijl er nog geen schep in de grond is gegaan?   Voor de berekening van de kosten die Defensie kwijt zou zijn in geval de aanbesteding wordt afgebroken verwijs ik naar het antwoord op vraag 1.   In de voortgangsrapportage van de provincie aan Provinciale Staten van eind maart 2018 over het project MARKAZ staat, dat van het beschikbare budget van ruim € 18 miljoen (€ 15 miljoen van de provincie en ruim € 3 miljoen van de gemeente Vlissingen) nog ca. € 4,2 miljoen resteert. De provincie en de gemeente hebben tot nu toe € 13,8 miljoen besteed aan onderzoek en planvorming, grondverwerving, sloopkosten, explosievenruiming, engineering en aanleg van nutsvoorzieningen, een afkoopsom voor bouwrijp maken, communicatie en promotie.   6   Welke financiële risico’s zitten er aan de bouw en aan de exploitatie van de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen? Wat is de financiële omvang van deze risico's? Zijn deze risico’s groter door de gekozen DBFMO-constructie?   De financiële risico’s gedurende de bouw en de exploitatie van de kazerne zijn op geld gewaardeerd in de commercieel vertrouwelijke Public Sector Comparator (PSC). De PSC maakt onderdeel uit van de DBFMO-constructie. Voor deze waardering verwijs ik u graag naar de commercieel vertrouwelijke bijlage bij deze brief.   In de DBFMO-overeenkomst betaalt Defensie een prestatie-gerelateerde vergoeding. Daarmee liggen deze risico’s bij het consortium, dat deze risico’s het beste kan mitigeren. Tot die tijd bestaan de financiële risico’s voor Defensie uit mogelijke gevolgen van de ontwerpkeuze, algemene marktrisico’s zoals rente en inflatie, het aanbestedingsresultaat en prijsontwikkelingen in de vastgoedsector.   7   In hoeverre is de inrichting van de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen vergelijkbaar met de raming in 2012? Klopt het bijvoorbeeld dat de geplande schietbanen bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen maar half zo groot zijn als door de mariniers was gevraagd, en dat hierdoor slechts met zes mariniers tegelijk kan worden getraind in plaats van de vaste aanvalsteams van zestien personen, en dat er niet of beperkt geschoten kan worden? Zo ja, bent u voornemens een alternatieve faciliteit in gebruik te nemen voor oefeningen met zestien mariniers waar geen schietbeperkingen zijn en wat zijn daarvan de meerkosten?   Sinds 2012 is de behoeftestelling op onderdelen aangepast. Er is bijvoorbeeld nu voorzien in de huisvesting van marechaussees en van de NATRES op het terrein, en in de opslag van Viking rupsvoertuigen. Daarnaast is het aantal parkeerplaatsen voor civiele personenauto’s conform normering naar beneden bijgesteld.   Het aantal schietpunten van een reguliere schietbaan, zoals op de kazerne in Vlissingen is voorzien, wordt bepaald op basis van gebruiksintensiteit per jaar. De in de huidige ontwerpspecificatie opgenomen schietfaciliteiten zijn op basis van de hierbij horende capaciteitsberekening nog steeds afdoende. Door het treffen van geluidwerende maatregelen, hetgeen onderdeel is van de uitvraag bij de consortia, voldoet het gehele operationele gebied aan de wet- en regelgeving en zijn er geen schietbeperkingen.   Ten aanzien van een aantal onderdelen in de behoeftestelling en bijbehorende outputspecificatie, waaronder onder andere het aantal schietpunten, overkappingen voor het stallen van militaire voertuigen en havenfaciliteiten, heeft de medezeggenschap aangegeven dat zij de huidige outputspecificatie niet vinden voldoen. Hierover is Defensie intern nog in gesprek.   8   Klopt het dat niet alle gewenste helikoptertrainingen bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen uitgevoerd kunnen worden en dat voor bepaalde trainingen uitgeweken gaat moeten worden naar andere locaties? Zo ja, wat zijn daarvan de meerkosten?   10   Welke kosten gaan gepaard met de extra reistijd en reiskosten die gemaakt moeten worden voor de veel grotere afstand die mariniers moeten afleggen vanuit Vlissingen ten opzichte van Doorn om bij andere militaire bases te komen, zoals bijvoorbeeld Den Helder, Gilze-Rijen en de Harskamp?   Net als nu in Doorn zijn de mariniers na de verhuizing naar Vlissingen voor helikoptertrainingen aangewezen op trainingslocaties zoals de vliegbases Gilze-Rijen en Deelen, en op laagvlieggebieden op een aantal locaties waar ook geïntegreerd geoefend wordt (dit betreft de Oirschotse heide, Leusderheide, Weerter- en Budelerheide, Ederheide en de Marnewaard). Daarnaast zullen de mariniers jaarlijks oefeningen houden op terreinen als ISK Harskamp, ASK Oldebroek en op Texel. Voor het bereiken van deze terreinen is de kazerne in Doorn gunstiger gelegen.   Bij verhuizing naar Vlissingen kan in de toekomst voor het trainingsprogramma van de mariniers ook gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de in Zeeland aangeboden terreinen bieden. Momenteel is Defensie in gesprek met terreineigenaren, gemeenten en de provincie Zeeland over het medegebruik van verschillende terreinen. Voor een aantal terreinen is al een contract afgesloten.   De meerkosten van de verhuizing naar Vlissingen betreffen voornamelijk reis- en verblijfkosten. In 2012 zijn de hieruit voortkomende exploitatiekosten op enkele honderdduizenden euro’s geraamd. Deze kosten zijn echter afhankelijk van een aantal factoren, zoals de oefen- en trainingsschema’s van de mariniers en dienstreizen ten behoeve van opleidingen en bedrijfsvoeringactiviteiten. Dit zijn factoren die nog niet vastliggen en per marinier zullen verschillen. Het is daarom niet mogelijk om deze kosten exact te duiden.   9   Klopt het dat bij de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen geen oefeningen uitgevoerd kunnen worden tijdens het broed- en strandseizoen? Moet hier een alternatief voor worden gezocht? Zo ja, wat zijn daarvan de meerkosten?   Net als op de oefenterreinen van Defensie elders in Nederland wordt in Zeeland rekening gehouden met natuurwaarden. Voor de oefen- en trainingsfaciliteiten op de kazerne leveren het broed- en het strandseizoen geen beperkingen op. Op twee gebieden buiten de kazerne, namelijk de Kop van Schouwen en Krammer-Volkerak, gelden beperkingen gedurende het broedseizoen. Hiermee kan rekening worden gehouden in de planning en hiervoor zijn zodoende geen alternatieven nodig.   Voor het medegebruik van terreinen van Staatsbosbeheer en North Sea Port zal Defensie, zoals gebruikelijk bij dit soort terreinen, rekening houden met recreatieve medegebruikers.   10   Welke kosten gaan gepaard met de extra reistijd en reiskosten die gemaakt moeten worden voor de veel grotere afstand die mariniers moeten afleggen vanuit Vlissingen ten opzichte van Doorn om bij andere militaire bases te komen, zoals bijvoorbeeld Den Helder, Gilze-Rijen en de Harskamp?   Zie het gecombineerde antwoord op vraag 8 en 10.   11   Gedurende hoeveel jaren verwacht u dat extra accommodatie nodig is voor personeel dat niet verhuist en daardoor op de nieuw te bouwen kazerne in Vlissingen moet worden gehuisvest? Wat zijn de financiële consequenties als deze verwachting niet uitkomt? Kunt u uw antwoord toelichten?   In de behoeftestelling is ervan uitgegaan dat gedurende tien jaar extra behoefte aan legering bestaat. Als er gedurende een langere tijd extra legering nodig is, gaat dit gepaard met extra exploitatiekosten. De hoogte hiervan is sterk afhankelijk van de invulling van een contract met een consortium. Deze kosten kunnen daarom nu nog niet worden berekend.   12   Klopt het dat de gemeente Utrechtse Heuvelrug inmiddels een nabij de Van Braam Houckgeestkazerne gelegen golfbaan heeft opgekocht, terwijl het niet kunnen aankopen van deze golfbaan een struikelblok was voor eventuele uitbreiding van de kazerne?   De gemeenteraad heeft op 14 maart jl. bepaald dat Utrechtse Heuvelrug het perceel zal overnemen. Indertijd heeft Defensie gepoogd dit perceel te kopen, om het bij de kazerne te kunnen trekken. Dit is toen niet gelukt.   13   Bent u bereid met de gemeente Utrechtse Heuvelrug in gesprek te gaan om te bezien wat de mogelijkheden op het moment zijn en welke oplossingen eventueel kunnen worden gevonden voor de plannen die de gemeente inmiddels heeft voor het terrein van de Van Braam Houckgeestkazerne? Zo nee, waarom niet?   14   Bent u, mede gelet op de uitlating van voormalig minister Hans Hillen dat hij een scenario van instandhouding van de Van Braam Houckgeestkazerne nooit serieus heeft genomen2), bereid nauwkeurig en serieus te laten onderzoeken welke besparingen ten opzichte van het huidige besluit kunnen worden bereikt met het in stand houden van de Van Braam Houckgeestkazerne, zoals bijvoorbeeld besparingen op het gebied van verhuiskosten en het aantal boordplaatsers? Zo nee, waarom niet?   Zie het gecombineerde antwoord op vraag 2, 3, 13 en 14.   15   Welke besluiten met betrekking tot het vastgoed van Defensie zijn sinds 2012 teruggedraaid of aangepast? Wat waren hier de financiële consequenties van?   In de nota ‘In het belang van Nederland’ van 17 september 2013 was onder meer besloten tot de sluiting en afstoting van de Van Ghentkazerne in Rotterdam en de Johan Willem Frisokazerne in Assen. Deze maatregelen zijn in de maanden daarna teruggedraaid. Civiel medegebruik maakte voor deze kazernes kostenverdeling en een meer optimale bezetting mogelijk.   Onlangs is in de Defensienota 2018 aangekondigd dat een aantal defensielocaties openblijft: het Complex Brasserskade in Den Haag, het munitiecomplex in Alphen, de Korporaal van Oudheusdenkazerne in Hilversum, de Joost Dourleinkazerne op Texel, Kamp Nieuw Milligen in Uddel en de Koningin Wilhelminakazerne in Ossendrecht. Enkele andere locaties worden nog onderzocht.   Dit leidt tot een verhoogde exploitatie en in voorkomend geval het wegvallen van geraamde verkoopopbrengsten. Daarnaast zijn op bepaalde locaties investeringen benodigd. Defensie actualiseert de Vastgoedportefeuille Strategie. De daar uit volgende stand van zaken en de financiële gevolgen van de defensielocaties die open zijn, open blijven, en in de toekomst nog open zullen gaan, zullen worden verwerkt in het Materieel Projecten Overzicht, de begroting en het jaarverslag.   16   Deelt u de mening dat in onze moderne samenleving het werk van de partner even belangrijk is als dat van de marinier en het weinig emancipatoir is van hem of haar te verlangen dat hij/zij zijn/haar werk, familie en sociaal leven achterlaat om met de marinier mee te verhuizen? Bent u bereid bij uw onderzoek naar de oorzaken van de verhoogde uitstroom bij het Korps Mariniers de consequenties voor partners en kinderen expliciet te onderzoeken en mee te laten wegen? Zo nee, waarom niet?   Defensie kent naast de mariniers veel meer uitgezonden militairen van wie velen niet wonen in de nabijheid van hun kazerne, vliegbasis of de marinehaven in Den Helder. De beslissing over het al dan niet meeverhuizen van gezinsleden is altijd aan de individuele militair geweest. Ik ben me er terdege van bewust dat een verhuizing naar Vlissingen invloed zal hebben op de privésituatie van de mariniers, zeker als partners van de mariniers momenteel in de omgeving van Doorn werkzaam zijn.   1) Vervolgvragen op eerder gestelde schriftelijke vragen van het lid Diks over de leegloop bij het Korps Mariniers in verband met de kazerneverhuizing naar Vlissingen, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017-2018, nr. 1932   2) https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/1755109/ouddefensieminister-hillen-over-verhuizing-mariniers-ophef-verbaast-me.html  
  Datum: 14 juni 2018    Nr: 2018D34101    Indiener: B. Visser, staatssecretaris van Defensie
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Raemakers over het bericht dat veel kankerpatiënten weinig informatie krijgen over het leven na hun behandeling

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Raemakers (D66) over het bericht dat veel kankerpatiënten weinig informatie krijgen over het leven na hun behandeling (2018Z23588).   Hoogachtend,   de minister voor Medische Zorg   en Sport,   Bruno Bruins   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Raemakers (D66) over het bericht dat veel kankerpatiënten weinig informatie krijgen over het leven na hun behandeling . (2018Z23588)   1   Bent u bekend met het bericht ‘Veel kankerpatiënten in ongewisse over gevolgen behandeling’?   Antwoord vraag 1.   Ja.     2   Wat is uw reactie op een van de conclusies uit het onderzoek ‘Samen beslissen over je kankerbehandeling, wat is jouw ervaring?’ van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK), dat bij ruim een derde van de patiënten niet is gesproken over klachten die zich na de ziekte kunnen ontwikkelen, zoals vermoeidheid, verminderde lichamelijke conditie, concentratieproblemen, geheugenproblemen, seksuele problemen en depressieve gevoelens?   3   Wat is uw reactie op de uitkomst van het onderzoek dat bij ongeveer de helft van de patiënten geen aandacht is voor de toekomstplannen of voor wat patiënten belangrijk vinden in hun dagelijks leven? Wat vindt u van de verschillen die er bestaan tussen de Universitair Medisch Centra (UMC’s), waar er meer aandacht lijkt te zijn voor wat mensen belangrijk vinden in het dagelijks leven (53%) dan in topklinische ziekenhuizen (48%) en algemene ziekenhuizen (43%)? Op welke manier kunnen ziekenhuizen van elkaar leren? En wat is uw reactie op het feit dat wat men belangrijk vindt in het dagelijks leven bij mannen (54%) vaker ter sprake kwam dan bij vrouwen (44%)?   Antwoord vraag 2 en 3.   Ik deel de oproep van de NFK dat patiënten beter moeten kunnen meepraten bij een beslissing. Ook ik vind het zorgelijk dat bij ongeveer een derde van de patiënten niet gesproken is over de gevolgen van de behandeling in brede zin. En dat ongeveer de helft van de kankerpatiënten aangeeft dat er geen aandacht is voor hun toekomstplannen of wat belangrijk is in hun dagelijks leven. Helaas is dit niet nieuw.   Juist daarom stimuleer ik, met de ontwikkeling Uitkomstgerichte Zorg, dat beter in beeld wordt gebracht wat een behandeling op de lange termijn oplevert voor het leven van een patiënt; uitkomstinformatie. Dat gaat breder dan alleen de medische uitkomst. Juist welzijn en kwaliteit van leven zijn onderdeel van uitkomstinformatie. Bij een behandeling voor prostaatkanker is het bijvoorbeeld van belang om te weten wat de kans is dat je daarna incontinent blijft. Bij borstkanker kan de vraag spelen hoe tevreden je bent over je lichaam na afloop van een behandeling.   De ambitie is om in 2022 voor 50% van de ziektelast uitkomstinformatie beschikbaar te hebben. Dat hebben we ook afgesproken met de partijen van het Hoofdlijnenakkoord Medisch Specialistische Zorg.   Daarnaast stimuleren we (met de hoofdlijnakkoord-partijen) zorgaanbieders en zorgverleners om samen beslissen meer toe te passen. We zetten daarvoor samen in op een campagne, het opnemen van samen beslissen in opleidingen, het organiseren van de juiste randvoorwaarden en faciliteiten en we creëren een platform om van elkaar te leren. Op die manier ondersteun ik zorgaanbieders en zorgverleners kennis en ervaringen uit te wisselen.   Ik vind het onwenselijk dat er (grote) verschillen bestaan tussen ziekenhuizen in de mate waarin ze aandacht besteden aan wat mensen belangrijk vinden. Universitaire medische centra (UMC’s) lijken op basis van deze peiling voorop te lopen. Ik vind het van belang dat voorlopers hun expertise en ervaringen op dit punt delen met andere ziekenhuizen, bijvoorbeeld in de eigen regio, of via activiteiten van het leerplatform. Daarover ben ik in overleg met onder meer de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra, (NFU) de koepel van de UMC’s.   Dat het onderzoek laat zien dat mannen vaker dan vrouwen zouden kunnen bespreken wat ze belangrijk vinden in het dagelijks leven is eveneens zorgelijk; álle patiënten moeten de ruimte hebben om persoonlijke situatie, behoeften en doelen ter tafel te brengen. Met de genoemde campagne willen we álle patiënten en hun naasten bewust te maken dat ze aandacht mogen vragen voor hun eigen achtergrond, situatie, vragen en twijfels.   4   Wat zijn de vorderingen die geboekt worden bij het ontwikkelen van uitkomstinformatie, zodat patiënten zelf beter kunnen kiezen voor een zorgaanbieder en zij samen kunnen beslissen over de behandeling? Krijgen patiënten ook inzicht in welke zorgaanbieder oog heeft voor de gevolgen van de behandeling, de impact op het dagelijks leven en de wensen en toekomstplannen van patiënten, aangezien patiënten dit belangrijk vinden en een zorgverlener die hier oog voor heeft hoger waarderen?   Antwoord vraag 4.   Met het Zorginstituut en veldpartijen (onder andere de partners van de Hoofdlijnakkoorden) maken we momenteel afspraken hoe we dit proces, gericht op de ambitie dat in 2022 voor 50% van de ziektelast uitkomstinformatie beschikbaar is, precies inrichten. Waar mogelijk maken we gebruik van uitkomstinformatie die al is ontwikkeld, bijvoorbeeld in internationaal verband.   De mate waarin zorgaanbieders oog hebben voor de impact van een behandeling op het dagelijks leven van een patiënt en dat meenemen in de gesprekken, komt in feite neer op de mate waarin zorgaanbieders en patiënten samen beslissen. In de ontwikkeling Uitkomstgerichte Zorg zetten we qua transparantie in op de uitkomsten van de zorg. Aan het implementeren van samen beslissen wordt momenteel in veel zorgorganisaties gewerkt. Het lijkt me goed zorgaanbieders nu ruimte te bieden om daar op een eigen manier vorm aan te geven, passend bij de doelgroep, het type aandoening, de werkwijze van de zorgverleners en de mogelijkheden voor samenwerking in een multidisciplinair netwerk. Daarbij kunnen ze veel van elkaar leren. Nu gaan ‘meten’ en vergelijken in hoeverre zorgaanbieders samen beslissen toepassen, zou zorgaanbieders de ruimte om te leren van elkaar en te innoveren op dit punt deels ontnemen. En mogelijk meer administratieve lasten met zich mee brengen.   Eventueel kunnen verzekeraars met verzekerden meedenken om een zorgaanbieder te vinden die qua werkwijze bij ze past. Daarover ben ik in gesprek met verzekeraars.   5 Kan er gevolg gegeven worden aan de aanbeveling van de NFK dat het belangrijk is om de vertaling te kunnen maken van medische mogelijkheden voor de patiënt naar concrete gevolgen, zoals kunnen blijven werken, sporten, het uitoefenen van een hobby, sociale activiteit en intimiteit? In hoeverre kunnen dergelijke concrete gevolgen onderdeel worden van uitkomstinformatie, zodat patiënten meer inzicht in krijgen in de mogelijkheden en kwaliteit van leven na behandeling?   Antwoord vraag 5.   Het is bij uitstek de bedoeling bij de ontwikkeling van uitkomstinformatie in kaart te brengen wat een behandeling kan betekenen voor de kwaliteit van leven van patiënten. Dus ook de mate van energie, tevredenheid over het lichaam, mentale gevolgen, seksuele problemen. Dit is ook onderdeel van internationale Ichom-sets, die een basis kunnen vormen voor het ontwikkelen van uitkomstinformatie.   De vertaling van die uitkomstinformatie (in cijfers, kansen et cetera) naar de concrete gevolgen voor het dagelijks leven voor een individuele patiënt is voorwerp van gesprek tussen zorgverlener en patiënten. Hoe groot is bijvoorbeeld de kans dat iemand door de behandeling het gevoel in de vingertoppen verliest? En kan diegene dan helemaal geen gitaar meer spelen of kan daar op een andere manier nog iets aan gedaan worden? Dit concrete gesprek over de situatie en gevolgen van de patiënt is individueel maatwerk, waarvoor het individuele gesprek tussen zorgverlener en patiënt de crux vormt.   6   Hoe beoordeelt u het dat patiënten het belangrijk vinden dat de optie ‘niet (verder) behandelen’ wordt besproken, maar dat nog maar een minderheid van de zorgverleners dit daadwerkelijk doet? Op welke wijze worden artsen momenteel, bijvoorbeeld al tijdens hun studie, voorbereid om ook het gesprek over ‘niet behandelen’ aan te gaan?   Antwoord vraag 6.   Niet behandelen is altijd een optie. Volgens de Wet Geneeskundige Behandel Overeenkomst (WGBO) moeten patiënten momenteel ook al geïnformeerd worden en expliciet instemmen met de behandeling die ze krijgen. Om eraan bij te dragen dat de patiënt nog beter in staat wordt gesteld om goed geïnformeerd toestemming te geven voor of juist af te zien van behandeling of onderzoek, wordt in de bij uw Kamer aanhangige wijziging van de WGBO (TK 34994) samen beslissen nog explicieter verankerd.   In het hoofdlijnakkoord medisch-specialistische zorg is afgesproken dat we gezamenlijk inzetten op het bevorderen van de kennis en vaardigheden van medisch professionals op dit gebied. In het raamplan van de Universitair Medisch Centra (UMC) voor de opleiding tot basisarts zijn competenties benoemd die bij ‘samen beslissen’ en een gesprek over ‘niet behandelen’ een rol spelen, zoals de bekwaamheid een zorgplan voor de patiënt te ontwikkelen in samenspraak met de patiënt. Dit zit dus al in de opleidingen. Het Raamplan voor het curriculum van UMC’s wordt in 2019 opnieuw opgesteld door de Nederlandse Federatie Universitair Medisch Centra (NFU).   Daarbij is opnieuw aandacht gevraagd voor communicatieve vaardigheden en de patiënt gelijkwaardig laten meebeslissen over behandelopties.   De specialisatiefase van medisch specialisten vindt voor een groot deel in de dagelijkse praktijk van het ziekenhuis plaats. Binnen de context van het specialisme wordt aandacht besteed aan goede gespreksvoering. De Federatie Medisch Specialisten (FMS) heeft een handreiking en competentieprofiel ontwikkeld om samen beslissen een plaats te geven in de specialisatiefase. Deze wordt actief onder de verschillende specialismen verspreid.     1) https://nfk.nl/nieuws/veel-kankerpati%C3%ABnten-in-ongewisse-over-gevolgen-behandeling   2) Samen beslissen over je kankerbehandeling: wat is jouw ervaring? Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties  
  Datum: 16 januari 2019    Nr: 2019D01238    Indiener: B.J. Bruins, minister voor Medische Zorg
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Asscher over de eerste honderd dagen van het kabinet

Vragen van het lid Asscher (PvdA) aan de Minister-President over de eerste honderd dagen van het kabinet (ingezonden 6 februari 2018).   Vraag 9 Welke maatregelen zijn er tot nu toe genomen om meer vaste banen te creëren en schijnzelfstandigheid tegen te gaan? Wanneer kunnen we maatregelen verwachten?   Vraag 82 Welke redenen heeft u om in tijden dat de werkloosheid daalt de werkgevers te trakteren op nog minder verplichtingen?   Vraag 96 Hoe gaat u werkzekerheid vormgeven in een tijd van robotisering en enorme veranderingen?   Antwoord op vragen 9, 82 en 96:   Dit kabinet wil een nieuwe balans aanbrengen op de arbeidsmarkt om deze klaar te maken voor de toekomst. Zoals beschreven in de brief aan uw Kamer van 15 december 2017 staat de arbeidsmarkt er op dit moment goed voor, mede door de economische meewind, maar pakt het kabinet nu door om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst ook zo blijft. Om bestaande tegenstellingen te verminderen en mensen toe te rusten op de veranderende arbeidsmarkt (als gevolg van trends zoals robotisering, digitalisering en globalisering) is onderhoud nodig.   Het kabinet kiest daarom voor de in de brief genoemde maatregelen om werkgeverschap aantrekkelijker te maken en een nieuwe balans op de arbeidsmarkt aan te brengen tussen zekerheid en kansen: een balans die past bij deze tijd. Door de verschillen tussen vaste en flexibele contracten te verkleinen, zorgen we ervoor dat voor meer mensen perspectief op zekerheid ontstaat, dat meer mensen werken en leren combineren, en gezond en duurzaam kunnen doorwerken tot het moment dat zij willen stoppen met werken.   Als het gaat om zelfstandigen wil het kabinet deze grote groep de ruimte geven om te ondernemen. Maar het is ook belangrijk dat zzp’ers een welbewuste keuze voor het ondernemerschap maken en niet belanden in een situatie van schijnzelfstandigheid. Bovendien wil het kabinet een einde maken aan de situatie dat mensen als zzp’er werken voor een tarief dat zo laag is dat zij zich niet kunnen verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en geen pensioen kunnen opbouwen. Anderzijds wil het kabinet een einde maken aan het concurrentienadeel dat bedrijven ondervinden die zich aan de regels houden omdat andere bedrijven handige constructies gebruiken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen. Vaste werknemers, flexwerkers en zzp’ers horen op de werkvloer geen concurrenten van elkaar te zijn. Met de Wet DBA is de afgelopen periode geprobeerd duidelijkheid te scheppen over de vraag wanneer er sprake is van een dienstbetrekking. In plaats van duidelijkheid leverde de wet juist veel onrust onder zzp’ers en opdrachtgevers op. Daarom zet het kabinet in op nieuwe wet- en regelgeving die naar planning per 1 januari 2020 in werking treedt.   Tot dat moment is de handhaving van de Wet DBA opgeschort, behalve bij kwaadwillenden. Na inwerkingtreding zal het handhavingsmoratorium gefaseerd worden afgebouwd. Door deze maatregelen krijgen werkenden op de korte en langere termijn meer perspectief op werk en werkzekerheid.   Vraag 17 Wat doet u voor oudere werknemers die de pensioengerechtigde leeftijd wel willen maar niet kunnen halen?   Vraag 18 Welke maatregelen gaat u nemen zodat mensen die dat nodig hebben eerder kunnen stoppen met werken?   Antwoord op vragen 17 en 18: Het is in ons aller belang dat mensen gezond en werkend hun pensioen halen. Sociale partners zijn bij uitstek de aangewezen partijen als het gaat om duurzame inzetbaarheid. Zij weten het best wat er op de werkvloer speelt. Werkgevers en werknemers hebben daarom primair en gezamenlijk de verantwoordelijkheid om te investeren in gezond aan het werk zijn, ook als dit langer is dan vooraf gedacht. Per sector verschilt de vraag naar instrumenten om mensen langer aan het werk te houden. In de bouw zijn andere instrumenten nodig dan in het onderwijs. Sociale partners zijn daarom allereerst zelf aan zet.   De overheid ondersteunt hierbij, de afgelopen jaren bijvoorbeeld vanuit het programma Duurzame Inzetbaarheid, actieplan ‘perspectief voor vijftigplussers’, ESF Duurzame inzetbaarheid en sinds eind 2017 via de subsidieregeling Ontwikkeladvies. Via deze regeling kunnen werkenden van 45 jaar of ouder zich aanmelden voor een persoonlijk loopbaanadvies om te bekijken hoe zij gezond en werkend de pensioenleeftijd kunnen bereiken.   In het regeerakkoord is bovendien afgesproken dat het kabinet kritisch zal kijken naar mogelijke belemmeringen bij langer doorwerken, bijvoorbeeld naar mogelijkheden om opties zoals deeltijdpensioen (via tweede pijler of generatiepactregelingen) breder voor het voetlicht te brengen of gemakkelijker te maken. Voor mensen die fysiek of mentaal echt niet langer kunnen werken, zijn vangnetregelingen beschikbaar zoals de WIA. Daarnaast is in het regeerakkoord afgesproken om de IOW te verlengen met vier jaar, zodat oudere werklozen na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven ‘op te eten’ voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning.   Vraag 19 Wat doet u, c.q. wat bent u voornemens te doen om de inkomenspositie van arbeidsgehandicapten op peil te houden?   Antwoord op vraag 19:   De Participatiewet is gebaseerd op de ambitie om iedereen in staat te stellen om mee te doen in de samenleving. Het streven is om te komen tot een inclusieve arbeidsmarkt, waarbij mensen zo veel mogelijk in hun eigen levensonderhoud voorzien. Participatie, bij voorkeur via werk, zorgt voor sociale en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en levert een bijdrage aan de sociale cohesie en de economie. Als het mensen niet lukt zelf aan het werk te komen en er zijn geen andere voorzieningen beschikbaar, dan kunnen gemeenten op grond van de Participatiewet ondersteuning bieden. Zolang mensen (nog) niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien kunnen gemeenten inkomensondersteuning bieden op sociaal minimumniveau.   Specifiek voor mensen die niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon te verdienen, regelt de Participatiewet instrumenten die tot doel hebben om werkgevers te stimuleren om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen door hen te compenseren voor hun verminderde arbeidsproductiviteit. In het regeerakkoord is afgesproken om het huidige instrument loonkostensubsidie in de Participatiewet te vervangen door loondispensatie.   Met de brief van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris van SZW de Kamer hier nader over geïnformeerd. In die brief zijn de kaders geschetst waarbinnen loondispensatie binnen de Participatiewet wordt uitgewerkt. De reden hiervoor is omdat mensen met een arbeidsbeperking momenteel aan de kant staan, ook met loonkostensubsidie. In het Regeerakkoord is de keuze gemaakt om loonkostensubsidie in de Participatiewet te vervangen door loondispensatie. Het instrument loondispensatie wordt al jaren in de Wajong toegepast. Hierdoor ontstaat een eenduidig instrumentarium voor werkgevers. Daarnaast krijgen gemeenten hierdoor financiële ruimte voor activering, om bijvoorbeeld meer beschutte werkplekken te organiseren, om werkgevers te ontzorgen en om maatwerk te bieden dat aansluit bij de behoeften van burgers.   De staatssecretaris koerst erop de systematiek zo uit te werken dat mensen die vanuit de uitkering met loondispensatie gaan werken een aanvullende uitkering krijgen die voldoet aan twee uitgangspunten. Ten eerste moet het inkomen hoger uitkomen dan het voor hen geldende sociaal minimum. Ten tweede is het belangrijk dat het inkomen gaat naar een niveau conform het minimumloon naar rato van het aantal gewerkte uren. Dit alles passend binnen de financiële kaders van het regeerakkoord. De systematiek wordt uitgewerkt in overleg met gemeenten, sociale partners, cliëntenorganisaties en andere betrokkenen. In de Hoofdlijnennotitie die in het eerste kwartaal naa r de Kamer wordt gezonden, zal een nadere uitwerking van de plannen worden weergegeven.   Ten aanzien van de Wajong en de WIA stelt het kabinet extra middelen ter beschikking voor de intensivering van persoonlijke dienstverlening, zodat arbeidsgehandicapten ondersteuning naar werk krijgen en meer arbeidsgehandicapten via werk hun inkomenspositie kunnen verbeteren.   Vraag 50 Welke maatregelen gaat u nemen tegen de schuldenindustrie?   Antwoord op vraag 50:   Het kabinet gaat aan de slag met de uitwerking van de in het regeerakkoord aangekondigde maatregelen en zal in het voorjaar van 2018 een brede schuldenaanpak presenteren aan uw Kamer.   Vraag 51 Bent u van mening dat doorverkoop van schulden onmogelijk moet worden gemaakt?   Antwoord op vraag 51:   Een verbod op het doorverkopen van vorderingen is geen oplossing voor de gesignaleerde problemen bij de inning door incassobureaus. De kern van het probleem ligt hier namelijk niet in het doorverkopen zelf, maar in de wijze waarop vervolgens met de vorderingen wordt omgegaan. Om misstanden in de incassobranche aan te pakken gaat het kabinet aan de slag met een register voor incassobureaus.   Vraag 52 Wat gaat u doen om discriminatie op de arbeidsmarkt en bij stageplaatsen tegen te gaan?   Antwoord op vraag 52: Arbeidsmarktdiscriminatie is verboden en onacceptabel. Het zorgt ervoor dat talent wordt verkwist en ambities worden geknakt. Iedereen in Nederland verdient gelijke kansen en heeft gelijke rechten, op de arbeidsmarkt en daarbuiten. In het regeerakkoord heeft het kabinet toegezegd werk te maken van de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Dit doet het kabinet door middel van het vervolg op het huidige Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie, dat in de komende maanden nader wordt uitgewerkt en dat u conform de motie Van Weyenberg/Gijs van Dijk voor 1 juni van dit jaar wordt toegestuurd. In dit vervolgactiepan zal er onder meer aandacht zijn voor discriminatie bij sollicitatieprocedures, zwangerschap en een stevige handhavende rol voor de Inspectie SZW.   Het tegengaan van stagediscriminatie is daarbij een belangrijk onderdeel. In de City Deal Aanpak Jeugdwerkloosheid zijn potentieel kansrijke interventies opgezet en onderzocht.   De inzichten uit de City Deal worden ingezet bij andere programma’s. Zo is op 1 juli 2017 in samenwerking met MBO diensten het programma Loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB)en Gelijke Kansen van start gegaan. In dit programma worden vijftien mbo-scholen begeleid bij het uitvoeren en implementeren van LOB-activiteiten in het algemeen en ‘LOB – Gelijke Kansen’ in het bijzonder. De nadruk ligt daarbij op gelijke kansen, het tegengaan van stagediscriminatie en negatieve beeldvorming en leren netwerken. Ook worden de inzichten uit de City Deal Aanpak Jeugdwerkloosheid benut binnen de Gelijke Kansen Alliantie.   De ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zullen onder andere binnen het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt (VIA) en in samenwerking met partners zoals Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB), Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB) en de MBO raad blijven samenwerken om alle jongeren gelijke kansen te bieden, ook jongeren met een migrantenachtergrond die moeite hebben om de stap van het onderwijs naar de arbeidsmarkt te maken.   Vraag 53 Welke maatregelen neemt u tegen verborgen armoede bij werkende Nederlanders?   Antwoord op vraag 53:   Uit cijfers van het CBS blijkt dat een risico op armoede onder werkenden veelal is te verklaren door het hebben van een korte werkweek in combinatie met een laag uurloon, niet het hele jaar werken of het maken van weinig winst als zelfstandige. Om ervoor te zorgen dat werken meer loont, verlaagt het kabinet de lasten op werk. Binnen de groep werkenden geeft het CBS daarnaast aan dat ZZP’ers een kwetsbare groep zijn. Bij werknemers heeft namelijk 1,7% te maken met een laag inkomen, terwijl dit bij ZZP’ers 9,4% is. Daarom gaan we ZZP’ers betere bescherming bieden tegen schijnconstructies. De Kamer is per brief nader geïnformeerd over de route naar inwerkingtreding van de wetgeving betreffende de vervanging van de wet DBA (zie vraag 9).   Gemeenten hebben de taak om armoede te herkennen en te bestrijden. Hiervoor hebben ze van dit en van het vorige kabinet extra geld gekregen. Zie hiervoor ook de beantwoording van vraag 76.   Vraag 75 Hoe zorgt u dat het beroep, dat de overheid op burgers in problemen doet, niet zo groot is dat problemen eerder verergeren dan verminderen?   Antwoord op vraag 75:   In het rapport ‘Weten is nog geen doen. Een realistisch perspectief op redzaamheid’ roept de WRR de overheid op om aan te sluiten bij wat de burger écht kan. In de kabinetsreactie op het rapport geeft het kabinet onder meer aan dat nieuw beleid en nieuwe wetgeving aan een doenvermogentoets onderworpen zullen worden.   Vraag 76 Waarom wordt er geen geld uitgetrokken voor het bestrijden van schulden en armoede bij gezinnen met kinderen vanaf 2021?   Antwoord op vraag 76: Het klopt niet dat er vanaf 2021 geen geld wordt uitgetrokken voor het bestrijden van schulden en armoede bij gezinnen met kinderen. Gemeenten ontvangen uit het gemeentefonds middelen die zij kunnen inzetten voor dit beleid. Daarnaast is vanaf 2015 structureel €100 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de bestrijding van armoede en schulden en vanaf 2017 daarbovenop nog eens structureel €100 miljoen voor de bestrijding van armoede onder kinderen. Het betreft structurele middelen, dus ook na 2020 is er geld beschikbaar voor gemeenten. Het huidige kabinet houdt de investeringen van de afgelopen jaren in stand en stelt daarbovenop de komende drie jaar nog eens in totaal €80 mln. beschikbaar (30 mln. in 2018, 25 mln. in 2019 en 25 mln. in 2020) voor het voorkomen van schulden en het bestrijden van armoede, in het bijzonder onder kinderen.   Vraag 77 Is het waar dat u in tijden van overschotten en miljardencadeaus aan multinationals € 750 mln. bezuinigt op arbeidsongeschikten en arbeidsgehandicapten?   Vraag 78 Is het waar dat er in de onderhandelingen over de bezuiniging op arbeidsgehandicapten een koppeling is gemaakt met beschutte werkplekken, terwijl het andere groepen betreft?   Antwoord op vragen 77 en 78:   In het regeerakkoord is afgesproken om het instrument loonkostensubsidie in de Participatiewet te vervangen door loondispensatie. Met de brief van 14 december 2017 heeft de staatssecretaris van SZW de Kamer hier nader over geïnformeerd. De middelen die door de maatregel vrijvallen (€ 500 mln. structureel) worden beschikbaar gesteld aan gemeenten voor activering en dienstverlening op het gebied van participatie. Gemeenten krijgen met het extra geld de mogelijkheid om extra beschut werkplekken te organiseren voor mensen met arbeidsbeperkingen die alleen onder beschutte omstandigheden kunnen participeren, om maatwerk te bieden richting werk en werkgevers te ‘ontzorgen’. Hierdoor kunnen meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk worden geholpen. Er is dus geen sprake van een bezuiniging maar van herallocatie van middelen voor mensen met arbeidsbeperkingen.   Over de maatregelen in het regeerakkoord ten aanzien van de toegang tot de WIA heeft de minister van SZW de Kamer op 14 februari bericht.   Vraag 79 Is het waar dat u wel een breed sociaal akkoord wenste, maar met lege handen bij de sociale partners bent aangekomen?   Vraag 83 Is er nog steeds ruimte – zoals u in het debat over de regeringsverklaring hebt aangegeven – alternatieven te bespreken met de sociale partners op voorwaarde dat deze voor meer vaste contracten zorgen?   Antwoord op vragen 79 en 83:   Ik hecht aan een zorgvuldige afstemming met sociale partners. Letterlijk vanaf dag één ben ik in contact geweest om te bezien wat de mogelijkheden waren om dit inhoud te geven. Uiteraard met het regeerakkoord als referentiekader en dat noem ik geen lege handen. Het regeerakkoord heeft een gezonde en evenwichtige arbeidsmarkt voor ogen. Mij is gebleken dat deze ambitie door sociale partners wordt gedeeld, maar dat werkgevers en vakbeweging het niet eens konden worden over de oplossingsrichtingen. Dat was ook al gebleken in hun onderling overleg in het voorafgaande jaar. Ik ben er van overtuigd dat een meer evenwichtige arbeidsmarkt ook om evenwichtige oplossingen vraagt. Dat is de insteek geweest bij het regeerakkoord en vervolgens ook bij het schrijven van mijn brief van 15 december 2017. Ik heb er toen voor gekozen langs verschillende routes met sociale partners in gesprek te gaan. De afstemming met sociale partners over de uitwerking is dan ook intensief. Niet primair met het oogmerk dat werkgevers en vakbeweging zich achter elke maatregel scharen, maar vooral om met elkaar in gesprek te blijven over de balans in het geheel van maatregelen. Alternatieve invullingen zijn – als zij gezamenlijk door werkgevers en werknemers worden gedragen – altijd bespreekbaar.   Specifiek op het terrein van loondoorbetaling bij ziekte en Regeerakkoord maatregelen zie ik dat sociale partners met elkaar in gesprek zijn gegaan. De berichtgeving in de Telegraaf van 5 maart, waaruit bleek dat MKB-NL de Regeerakkoord maatregel loondoorbetaling die zich specifiek richt op kleine werkgevers niet omarmt, moet ook in dat perspectief gewaardeerd worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer nader informeren over de uitkomst van gesprekken met sociale partners. Uiteraard toetst het kabinet eventuele alternatieven aan de doelstellingen van het regeerakkoord en de financiële kaders.   Vraag 80 Welke vorderingen zijn er op het gebied van het nieuwe pensioenstelsel? Bent u voornemens om, bij het uitblijven van een akkoord, zonder sociale partners verder te gaan met pensioenplannen? Zo nee, welke maatregelen wilt u aanpassen om een akkoord mogelijk te maken?   Antwoord op vraag 80: Nederland heeft een sterk pensioenstelsel maar het stelsel sluit niet meer aan bij de veranderende arbeidsmarkt en samenleving. Tijdens de pensioendialoog van het vorige kabinet bleek er breed draagvlak te zijn voor vernieuwing van het pensioenstelsel. Dit kabinet heeft in het regeerakkoord een voorstel gedaan voor de vernieuwing van het pensioenstelsel. Het pensioenstelsel is nadrukkelijk ook een verantwoordelijkheid van sociale partners. Onderdeel daarvan is dat de SER de mogelijkheid van een persoonlijk pensioenvermogen gecombineerd met het behoud van collectieve risicodeling onderzoekt. Het kabinet verwacht op korte termijn een advies van de SER hierover zodat het kabinet vervolgens samen met sociale partners de stap kan zetten richting een vernieuwd pensioenstelsel. Er is geen aanleiding om op andere situaties in te gaan.   Vraag 81 Welke redenen heeft u om – net nu het aantal vaste banen toeneemt – een proeftijd van 5 maanden zonder enige zekerheid voor werknemers te introduceren? Ziet u het risico van een draaideurconstructie hierbij, waarbij vooral jonge mensen onnodig lang in onzekerheid worden gehouden?   Antwoord op vraag 81: In mijn brief ‘naar een nieuw balans op de arbeidsmarkt’ heb ik de ambitieuze agenda van het Kabinet om de arbeidsmarkt klaar te maken voor de toekomst uiteengezet. Het klopt dat de Nederlandse economie er goed voor staat en dat de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt positief zijn. De werkgelegenheid stijgt snel en ook het aantal vacatures neemt fors toe. Dit neemt niet weg dat er onderhoud nodig is om de verstoorde balans op de arbeidsmarkt te herstellen. Het systeem slaagt er op dit moment onvoldoende in om werkgevers en werkenden te ondersteunen bij het aangaan van een arbeidsrelatie die past bij hun behoeften en wensen en bij de aard van het werk. Het aangaan van arbeidsrelaties wordt nu vaak bepaald door kosten en risico’s. Werkgevers zijn daardoor terughoudend om werknemers in (vaste) dienst te nemen.   Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om een vast contract aan te gaan wil het kabinet de mogelijkheden voor een proeftijd verruimen. Deze maatregel moet in samenhang worden bezien met de andere maatregelen uit het regeerakkoord die er op gericht zijn om de kloof tussen vaste contracten en flexibele arbeid te verkleinen. Bij het uitwerken van deze maatregel heb ik aandacht voor het risico van een mogelijke draaideurconstructie. Inzet is om de wetgeving in de loop van 2018 naar de Kamer te sturen. Ik wissel tijdens de behandeling graag met u van gedachte over het wetsvoorstel.   Vraag 84 Welke maatregelen neemt u om te zorgen dat jong-volwassenen ook kunnen rekenen op een volwassen loon?   Antwoord 84: De leeftijd voor het ontvangen van het volwassenminimumloon is per 1 juli 2017 verlaagd van 23 naar 22 jaar. Hiernaast is de staffel voor de lonen tussen 18 en 21 jaar aangepast waardoor ook deze lonen zijn gestegen. In het verschiet ligt dat op 1 juli 2019 de minimumleeftijd naar 21 jaar gaat en een verdere verhoging van het minimumjeugdloon vanaf 18 jaar. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Van Weyenberg.   Er zijn verschillende maatregelen getroffen om de doelgroep hierover te informeren. Zo bestaat er een factsheet jeugdloon, zijn er radiospots geweest, en via social media is hier aandacht voor gevraagd. Verder zijn loonadministratiekantoren en ontwikkelaars van salarissoftware geïnformeerd zodat zij op tijd bewust waren van de verhoging van het jeugdloon.   Vraag 90 Wat doet u om te zorgen dat mannen en vrouwen voor gelijk werk ook gelijk worden beloond?   Antwoord op vraag 90: Het kabinet streeft naar gelijkheid tussen mannen en vrouwen op het gebied van arbeid en inkomen en focust daarbij op het vergroten van de financiële onafhankelijkheid van vrouwen, het bestrijden van het beloningsverschil tussen mannen en vrouwen en het vergroten van het aandeel vrouwen aan de top van het bedrijfsleven. Om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen voor gelijk werk ook gelijk worden beloond, verkent het kabinet welke maatregelen genomen kunnen worden om beloningsdiscriminatie verder tegen te gaan. De staatssecretaris zal uw Kamer hierover voor het zomerreces nader informeren in het in het regeerakkoord aangekondigde vervolg op het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie. Daarin zal onder andere ingegaan worden op arbeidsmarktdiscriminatie bij sollicitaties, zwangerschap en een stevige handhavende rol voor de Inspectie SZW.   Vraag 99 Hoe zorgt u ervoor dat iedereen in Nederland zeker kan zijn van een eerlijke sollicitatie, ook als deze via uitzendbureaus loopt?   Antwoord op vraag 99: De uitzending van Radar, waarin deze kwestie aan de orde kwam, heeft een ernstig signaal afgegeven. Iedereen heeft recht op een eerlijke sollicitatie en zou daarin niet gehinderd mogen worden. Niet door werkgevers die een discriminerende vraag stellen en niet door uitzendbureaus die de discriminerende vraag aannemen. Uw Kamer ontvangt op korte termijn een brief ter zake. In het vervolg op het Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie gaat het kabinet nader in op haar maatregelen om discriminatie bij sollicitatieprocedures tegen te gaan.   1  
  Datum: 26 maart 2018    Nr: 2018D21673    Indiener: W. Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Van den Berg en Van Toorenburg over het voorkomen van wangiri-fraude

Geachte Voorzitter,   Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid, de antwoorden op de schriftelijke vragen van de Leden Van den Berg en Van Toorenburg (beide CDA) aan de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Justitie en Veiligheid over het voorkomen van wangiri-fraude (2018Z09659, ingezonden 25 mei 2018).   Hoogachtend,   mr. drs. M.C.G. Keijzer   Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat   2018Z09659   1   Kent u het bericht ‘Dit weekend gebeld door een +53-nummer? Je was niet de enige’?   Antwoord   Ja.   2   Zijn er cijfers bekend hoe vaak en in welke omvang deze vorm van wangiri-fraude voorkomt in Nederland?   Antwoord   Accurate cijfers over wangiri-fraude in Nederland zijn niet bekend. Het herkennen van deze vorm van fraude is lastig, omdat zij gekenmerkt wordt door een specifieke combinatie van factoren, die bovendien lastig zijn te registreren. De ACM meldt dat mede hierdoor in 2017 naar schatting een beperkt aantal klachten zijn geregistreerd bij Consuwijzer die wangiri-gerelateerd kunnen zijn. Het Openbaar Ministerie registreert zaken met betrekking tot wangiri-fraude niet apart en kan daarom niet aangeven hoeveel zaken met betrekking tot wangiri-fraude in behandeling zijn genomen. Dit geldt ook voor de Fraudehelpdesk. De telecomaanbieders zelf geven aan dat er jaarlijks honderden klanten gedupeerd zijn door wangiri-fraude.   3   Hoe komen deze fraudeurs aan Nederlandse telefoonnummers, in dit geval van klanten van Tele2?   Antwoord   Deze fraudeurs maken doorgaans gebruik van geautomatiseerde systemen waarbij grote aantallen willekeurige nummers worden gegenereerd. Deze worden vervolgens ook automatisch gebeld en leveren, afhankelijk van het aantal daadwerkelijk actieve en bereikbare nummers, een bepaalde respons op. Hierbij kunnen ook Nederlandse nummers betrokken zijn. De respons kan worden verhoogd door gebruik van gepubliceerde informatie over in gebruik zijnde nummers in bijvoorbeeld telefoongidsen. Ook wordt gebruikgemaakt van openbare nummerregisters: deze bevatten informatie over toekenningen van nummers aan aanbieders van telecomdiensten en dienen om de interoperabiliteit van onder andere telefoniediensten tussen verschillende telecomnetwerken te ondersteunen. Deze fraudeurs kunnen dus, gericht of ongericht, Nederlandse telefoonnummers betrekken bij hun praktijken.   4   Klopt het dat als iemand een Nederlands informatie- of servicenummer belt, de aanbieder verplicht is de kosten hiervan vooraf duidelijk te vermelden?   Antwoord   Ja, dat klopt. Voor nummers voor informatiediensten uit de reeksen 0900, 0906, 0909 en 18 uit het Nederlandse nummerplan moeten de kosten voorafgaand aan de oproep worden vermeld. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de telefonieaanbieder van de beller en de nummerexploitant (zie ook het antwoord op vraag 5).   5   Wat zijn de regels van tariefvermelding bij het bellen naar buitenlandse informatie- en servicenummers? Indien deze er niet zijn, wat is hiervan de reden en wat vindt u hiervan?   Antwoord   De Telecommunicatiewet kent geen verplichting om het tarief direct voorafgaand aan de oproep te melden bij het bellen naar buitenlandse informatienummers. Dit komt doordat vanuit Nederlandse wetgeving een dergelijke verplichting eenzijdig opgelegd zou moeten worden aan de Nederlandse telecomaanbieder, hetgeen slecht uitvoerbaar is. Er zou dan moeten worden afgeweken van internationale standaarden voor het routeren van telefoonverkeer. De daarvoor vereiste technische en commerciële aanpassingen zijn aanzienlijk. De verplichting van tariefmelding dient daarom tenminste ook bij de nummergebruiker te liggen die samen met de faciliterende telecomaanbieder (de platformaanbieder) technisch in staat is de tariefmelding te verzorgen. Dit regime is dan ook van toepassing op Nederlandse nummers voor betaalde informatiediensten. In het geval van buitenlandse informatienummers vallen nummergebruikers en platformaanbieders echter buiten de Nederlandse jurisdictie.   In een aantal landen zijn er met de Nederlandse situatie vergelijkbare regels voor tariefmelding bij informatienummers in het land zelf, maar dit is met name buiten Europa mogelijk niet altijd het geval. Eén en ander hangt af van het niveau van consumentenbescherming in een individueel land, en de mogelijkheid deze tarieven ook via andere weg kenbaar te maken.   Het ontbreken van een tariefmelding bij buitenlandse informatienummers leidt in de praktijk niet tot zichtbare problemen. Deze nummers zijn namelijk doorgaans niet aankiesbaar voor Nederlandse consumenten (zie ook het antwoord op vraag 6). In dit verband is ook relevant dat de problematiek zich niet beperkt tot nummers voor informatiediensten. Wangiri-fraude kan plaatsvinden met allerlei nummers, zowel Nederlandse, buitenlandse, en internationale nummers. Voorts zijn niet alleen informatienummers (met een aanvullend tarief voor de informatiedienst) betrokken, maar juist ook buitenlandse nummers met hoge gespreksafgiftetarieven zoals geografische of mobiele nummers. De Telecommunicatiewet kent ook geen verplichting tot tariefmelding voor gesprekken naar deze nummers. Hiervoor geldt dezelfde reden als voor buitenlandse informatienummers met betrekking tot het gebruik van standaarden en vereiste technische en commerciële aanpassingen.   6   Hebben telecomproviders de mogelijkheid om informatie- en servicenummers met een extreem hoog (start)tarief (tijdelijk) te blokkeren, omdat de kans op fraude hierbij hoog is?   Antwoord   De mogelijkheden tot blokkering van bepaalde nummers of nummerreeksen worden begrensd door de regels voor interoperabiliteit tussen telecomnetwerken van de International Telecommunication Union (ITU), de EU-richtlijnen voor de elektronische communicatiesector en de nationale implementatie hiervan. Uitgangspunt is dat telefoonnummers zoveel mogelijk aankiesbaar zijn op grond van onderhandelingen tussen telecomaanbieders. In dit kader hebben telecomaanbieders tot op zekere hoogte mogelijkheden om bepaalde nummers of nummerreeksen (tijdelijk) te blokkeren, die risico geven op fraude of waarbij fraude is geconstateerd. Voor nummers in de EU is deze ruimte beperkter, op grond van de Universeledienstrichtlijn, dan voor nummers buiten de EU. Voor nummers in de EU (inclusief nummers voor informatiediensten) moeten telefonieaanbieders alle nodige maatregelen nemen om, voor zover technisch en economisch haalbaar, deze aankiesbaar te maken.   Of en zo ja in hoeverre aanbieders van telefoniediensten reeksen nummers (tijdelijk) kunnen blokkeren die risico geven op fraude kan worden vastgesteld door de ACM, en kan daarbij per geval verschillen. De telecomsector is over dit (algemene) vraagstuk reeds eerder in overleg getreden met de ACM. De ACM heeft daarin het standpunt ingenomen dat ook een telefoonnummer dat is uitgegeven in de EU in bepaalde situaties en onder bepaalde voorwaarden geblokkeerd kan worden wanneer sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van fraude.   7   Hebben consumenten de optie buitenlandse informatie- en servicenummers te laten blokkeren of aan de telecomprovider een maximumtarief aan te geven, waarna je als consument beschermd wilt zijn?   Antwoord   Op grond van de Regeling universele dienstverlening en eindgebruikersbelangen zijn telefonieaanbieders verplicht om op verzoek van hun abonnees oproepen naar bepaalde categorieën nummers kosteloos te blokkeren. Telefonieaanbieders bieden in dit kader doorgaans de optie om oproepen naar buitenlandse nummers te blokkeren. Abonnees kunnen zich dus via de telefoniedienst beschermen tegen hoge kosten van het bellen naar buitenlandse nummers (informatienummers en andere nummers met hoge tarieven). Ook bestaan er applicaties die door de consument zelf op de mobiele telefoon kunnen worden geïnstalleerd, waarmee het uitbellen naar deze nummers (automatisch) kan worden geblokkeerd.   8   Welke rol zouden telecomproviders volgens u kunnen spelen bij het oplossen van het probleem? Bent u bereid in gesprek te treden met telecomproviders om over mogelijke oplossingsrichtingen te praten en de Kamer hierover te informeren?   Antwoord   Telecomaanbieders kunnen een grote rol spelen bij het aanpakken van wangiri-fraude. Omdat de telecomsector zelf ook financieel wordt geschaad door diverse vormen van fraude met (buitenlandse/internationale) nummers met hoge (afgifte)tarieven hebben telecomaanbieders individueel of in samenwerking met andere aanbieders reeds initiatieven ontplooid om telecommunicatiefraude beter te bestrijden, welke ook relevant zijn voor de aanpak van wangiri-fraude. Het gaat om zowel technische als organisatorische maatregelen. Dit gebeurt op zowel nationaal als internationaal niveau. In dit kader voert de Nederlandse telecomsector reeds overleg met de ACM en het Ministerie van EZK en zijn er reeds sectorafspraken (Fraudeconvenant, zie https://coin.nl/nl/diensten/fraudeconvenant); die onder andere zien op de problematiek met buitenlandse/internationale nummers.   Voorbeelden van voor wangiri-fraude relevante maatregelen die door de sector in nationaal en internationaal verband (als pilots) zijn geïmplementeerd of worden verkend zijn:   - het toepassen van nieuwe beveiligingsmethoden en validatietechnieken;   - het monitoren van telefonieverkeer zodat patronen die duiden op mogelijke telecommunicatiefraude, zoals robocalls (telefoongesprekken die automatisch door computers worden opgezet) snel worden gedetecteerd;   - het binnen de kaders van de privacyregelgeving uitwisselen van informatie tussen telefonieaanbieders en andere belanghebbenden zoals de ACM over (vermoedelijke) gevallen van fraude;   - het vertragen of in geval van fraude tegenhouden van betalingen naar andere netwerken in de telecomketen, waaronder betalingen naar of door internationale transitnetwerken;   - het op een zwarte lijst zetten van frauduleuze nummers en het vervolgens vanuit het netwerk laten blokkeren van inkomende oproepen vanaf deze nummers (binnen het in het antwoord op vraag 6 geschetste kader) of het verwijderen van informatie over het oproepende nummer zodat terugbellen niet mogelijk is;   - het inrichten van systemen voor het internationaal traceren van de oorsprong van oproepen van nummers die betrokken zijn bij grootschalige fraude.   Met name beperkingen van (de snelheid van) doorbetalingen in de telecomketen richting de nummerexploitant zijn vermoedelijk effectief, maar niet in alle gevallen eenvoudig om in te voeren omdat afspraken over de verrekening van internationaal telecomverkeer mondiaal zijn vastgelegd. De ITU werkt momenteel aan standaardisatie van nieuwe beveiligingsmethoden en validatietechnieken om de betrouwbaarheid van de informatie over het oproepende nummer te verhogen. Daarmee kunnen deze methoden en technieken bijdragen aan het terugdringen van de bestaande technische mogelijkheden voor de uitvoering van wangiri-fraude (zoals robocalls).   Ik ben bereid de Kamer nader te informeren als zich relevante ontwikkelingen voordoen in het overleg met de telecomsector.   9   Wat zou volgens u gedaan kunnen worden om wangiri-fraude te voorkomen?   Antwoord   In de eerste plaats kan de consument zelf, naast bedachtzaam te zijn bij het bellen naar buitenlandse nummers, reeds beschikbare preventieve maatregelen nemen (zie het antwoord op vraag 7). Voorts kan de sector, in samenwerking met de ACM, zelf maatregelen treffen (zie het antwoord op vraag 8). De ACM waarschuwt consumenten middels Consuwijzer om onbekende buitenlandse nummers niet terug te bellen.   Daarnaast kan effectiever toezicht op het juiste gebruik van telefoonnummers en internationale afstemming ook bijdragen aan het voorkomen van deze fraude. Dit is lastig omdat toezichthouders uit verschillende landen, in en met name ook buiten de EU, met elkaar moeten samenwerken. Zowel op ITU als EU-niveau zijn afspraken gemaakt over samenwerking bij incidenten met het grensoverschrijdende gebruik van nummers, die onder meer zien op informatie-uitwisseling. Echter, een (wereldwijd) mechanisme voor een gecoördineerde handhaving blijkt tot dusverre lastig tot stand te brengen. Met name in minder sterk ontwikkelde landen is er vaak onvoldoende bereidheid of capaciteit en/of ontbreken hiertoe relevante bevoegdheden bij toezichthoudende instanties. Dit laat onverlet dat er op nationaal niveau de nodige bestaande voorzieningen zijn en maatregelen mogelijk zijn om schade door wangiri-fraude te voorkomen, zoals genoemd in de antwoorden op de vragen 7 en 8.   10   Wat wordt er nationaal en internationaal gedaan om fraudeurs van wangiri-fraude op te sporen? Op welke manier werken landen hierbij samen en wat zijn hierbij de resultaten tot nu toe?   Antwoord   Het strafrecht wordt ingezet voor die zaken, waarin die inzet het meest effectief is. Het Openbaar Ministerie kijkt bij de selectie van zaken - naast factoren zoals de omvang van de financiële schade, de kwetsbaarheid van de slachtoffers, de mate van stelselmatigheid en het ondermijnende karakter van een zaak - ook naar de vraag of er voldoende aanknopingspunten voor succesvolle opsporing en vervolging zijn. Zoals hierboven aangegeven is wangiri-fraude een complex, vaak internationaal spelend fraudefenomeen, wat het vinden van voldoende aanknopingspunten voor een succesvolle opsporing en vervolging soms bemoeilijkt.   Daar waar die aanknopingspunten er wel voldoende zijn, worden zaken in behandeling genomen. Fraude kan echter het meest effectief worden bestreden door inzet op preventie, zoals in het antwoord op de vragen 7, 8 en 9 is weergegeven.  
  Datum: 25 juni 2018    Nr: 2018D35918    Indiener: M.C.G. Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Futselaar over het bericht dat selectie aan de poort niet leidt tot betere studieresultaten

Hierbij zend ik u de antwoorden op de vragen van het lid Futselaar (SP) van uw Kamer inzake het bericht ‘Selectie aan de poort leidt niet tot betere studieresultaten’.   De vragen werden mij toegezonden bij uw hierboven aangehaalde brief met kenmerk 2017Z14354.   de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,   Ingrid van Engelshoven   2017Z14354   Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid Futselaar (SP) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht dat selectie aan de poort niet leidt tot betere studieresultaten. (ingezonden 27 oktober 2017)   1 Kent u het Trouw-artikel ‘geen betere studenten door selectie’ van 24 oktober jl.? 1) Wat is uw mening over de onderzoeksresultaten van de promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen dat selectie aan de poort bij de studie geneeskunde niet leidt tot betere studieresultaten?   Ja, het Trouw-artikel is mij bekend. Ik vind het onderzoek van de promovendus interessant. Het biedt inzicht in de effecten van selectie aan de poort bij één van de numerus fixus opleidingen die decentrale selectie toepassen. De onderzoeksresultaten van de promovendus naar selectie bij de opleiding geneeskunde sluiten aan bij het onderzoek dat Anouk Wouters van de Vrije Universiteit heeft uitgevoerd naar selectie bij de opleiding geneeskunde. Zij concludeert onder andere dat de studieresultaten van geselecteerde studenten weinig verschillen van die van ingelote studenten, maar dat selectie wel meer bevlogen studenten aantrekt.   Met decentrale selectie wordt het voor opleidingen met een numerus fixus, meer dan voorheen het geval was met centrale loting, mogelijk gemaakt om de student die bij de opleiding past te selecteren. Het gaat bij decentrale selectie dus nadrukkelijk niet enkel om het verbeteren van het studiesucces. Decentrale selectie dient recht te doen aan het feit dat diverse factoren bepalen welke student goed bij een opleiding past. Denk daarbij bijvoorbeeld aan persoonlijkheidskenmerken, motivatie, eerdere onderwijsprestaties van de kandidaat-student en de organisatiekenmerken van de opleiding.   Hoewel de eerste geluiden over decentrale selectie positief zijn – studenten zijn beter voorbereid, gemotiveerder en kiezen bewuster –, is er op een aantal punten nog onduidelijkheid. Zo vraag ik me af of studenten voldoende op de hoogte zijn van de vervroegde aanmelddatum van 15 januari die voor numerusfixusopleidingen geldt. Daarnaast vraag ik mij af of het bestaan van particuliere stoomcursussen voor selectieprocedures zorgt voor een tweedeling tussen de kandidaat-studenten die deze cursussen wel kunnen en willen betalen en zij die dat niet doen. In de monitoring van decentrale selectie zal ik daarom extra aandacht aan deze punten laten besteden.   2 Kunt u bevestigen dat eerder onderzoek van de Vrije Universiteit van Amsterdam al aantoonde dat de selectie op basis van punten als persoonlijkheidskenmerken, cijfers en motivatie weinig verschil maken, omdat geneeskundestudenten vaak al erg gemotiveerd zijn en de uitvalcijfers laag zijn? 2) Gaat u stappen ondernemen naar aanleiding van de twee genoemde onderzoeken?   Ja, in mijn antwoord op vraag 1 refereer ik aan het onderzoek van Anouk Wouters.   Ja, ik ga mede naar aanleiding van deze onderzoeken inzetten op extra monitoring van decentrale selectie, zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven. De onderzoeken hebben overigens betrekking op een beperkt aantal geneeskundeopleidingen en de vraag is in hoeverre de uitkomsten van deze onderzoeken gelden voor andere opleidingen die een numerus fixus kennen.   Daarnaast zal ik kennisdeling rond dit thema faciliteren en stimuleren. In dat kader heb ik met de Vereniging Hogescholen en de VSNU afgesproken dat zij kennisdeling rondom selectieprocedures en het effect hiervan op de samenstelling van de instroom faciliteren. Als onderdeel van deze kennisdeling ontvangen alle hogescholen en universiteiten, die in studiejaar 2017-2018 een numerus fixus hebben gevoerd, de uitkomsten van het onderzoek van ResearchNed naar kansengelijkheid bij opleidingen met een numerus fixus.   3 Deelt u de mening dat de twee onderzoeken hebben aangetoond dat selectie aan de poort bij geneeskunde niet bijdraagt tot betere studieresultaten? Bent u van mening dat op grond hiervan gesteld kan worden dat selectie aan de poort niet werkt? Ziet u hier voldoende reden voor om onderzoek te doen naar de effecten van selectie aan de poort bij verschillende opleidingen?   Zie antwoord op vraag 2.   4 Kunt u inzicht geven in hoe de selectie tot stand komt? Is de selectieprocedure op de verschillende universiteiten hetzelfde? Zo nee, waarom niet?   Een hogeschool of universiteit kan besluiten bij een opleiding een capaciteitsbeperking te voeren. Ik vind het daarbij belangrijk dat het besluit tot het voeren van een numerus fixus adequaat onderbouwd wordt. Zoals in het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ is opgenomen, wil het kabinet het mogelijk maken dat wanneer de onderbouwing niet adequaat is, de minister van Onderwijs het besluit kan blokkeren.   De selectieprocedure op de verschillende universiteiten is niet overal hetzelfde. Wanneer een hogeschool of universiteit heeft besloten tot het instellen van een numerus fixus, richt zij een selectieprocedure in. De selectieprocedure moet uit ten minste twee kwalitatieve criteria bestaan. Bij het inrichten van de selectieprocedure wordt uitgegaan van het profiel van de betreffende opleiding en onderwijsinstelling zodat een opleiding met een numerus fixus uiteindelijk de student kan selecteren die het beste bij de opleiding past.   5 Deelt u de mening dat selectie aan de poort zorgt voor extra drempels voor bepaalde groepen studenten? Kunt u dit toelichten?   Ja. Uit de onderzoeken van ResearchNed en de Inspectie van het Onderwijs blijkt dat eerste generatie studenten minder vaak het volgen van een numerusfixusopleiding overwegen dan studenten met hoger opgeleide ouders. Ook twijfelt tussen de 14 en 18 procent van de ondervraagde jongeren of zij door de selectie zouden komen. Deze vorm van zelfselectie is onwenselijk en vraagt om actie. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 aangaf vind ik het principieel van belang dat het volgen van een fixusopleiding voor iedereen die het kan een vanzelfsprekende optie is. Daarom zal ik, zoals mijn ambtsvoorganger uw Kamer heeft toegezegd samen met de koepelorganisaties en de studentenbonden bezien hoe de informatievoorziening bij selectieve bacheloropleidingen verder verbeterd kan worden. Daarnaast – zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 2 – monitor ik de effecten van selectie(procedures) en hecht ik veel waarde aan kennisdeling.   6 Bent u bereid de selectie aan de poort af te bouwen en op termijn af te schaffen, aangezien selectie aan de poort niet werkt? Zo ja, wat zijn uw volgende stappen?   Nee. Opleidingen met een belangstelling van studiekiezers die groter is dan de onderwijscapaciteit van de opleiding en waarvan het arbeidsmarktperspectief beperkt is, moeten een numerus fixus kunnen instellen. Wel zal ik, conform het Regeerakkoord, stappen zetten om er zorg voor te dragen dat het besluit om een numerus fixus te voeren wordt voorzien van een adequate onderbouwing en de mogelijkheid creëren het besluit, indien nodig, te blokkeren.   1) Trouw, 24 oktober 2017, ‘Selectie bij studie geneeskunde levert geen betere studenten dan loting’ 2) Nu.nl, 24 oktober 2017, 'Selectie voor studie geneeskunde levert geen betere studenten op'  
  Datum: 15 januari 2018    Nr: 2018D00839    Indiener: I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

cartoon ogen tekenen Beamerlamp opties - YouTube Hoe geef ik in Excel een cijfer een kleur, afhankelijk van ... Duik in de prijslijst: opties op de BMW M2 CS The Classroom Experiment (Ep.2) - YouTube

In deze map vindt u een overzichtstabel met de cijfers van de omgeving Vendreef, omdat in dit gebied veel vragen zijn gesteld over de cijfers ... Opties. Kopieer link Downloaden Eigenschappen. ... De selectie is uitgevoerd op basis van verschillen van verkeer in 1 richting. Het is mogelijk dat in de andere richting het verkeer afneemt waardoor ... OCI (+8,1%) profiteert van meevallende cijfers van het Amerikaanse Mosaic (+5,4%). Vastned (+6,6%) stijgt flink op een hoog volume. Een duidelijke trigger kan ik echter niet vinden. Sinds vorige week donderdag kunnen beleggers handelen in een nieuwe meerjarige Philips-optie met een uitoefenprijs van 25 gulden, die in oktober 1996 afloopt en komt naast de al lopende 1996-'er ... cijfersberekenen.nl is hét online hulpmiddel voor docenten bij het berekenen van cijfers voor een toets! cijfersberekenen.nl 10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% Door gebruik te maken van slechts twee significante cijfers, wordt het lezen van de tabel een stuk prettiger en blijft de boodschap beter hangen. 7. Laat de y-as op 0 beginnen Met cijfers kun je manipuleren, en met de presentatie ervan ook. Een bekende truc is het uitvergoten van verschillen door de schaalverdeling op de y-as aan te passen.

[index] [2849] [6475] [4050] [5910] [183] [3647] [691] [4911] [7333] [3342]

cartoon ogen tekenen

Part one: http://www.youtube.com/watch?v=J25d9aC1GZA In this two-part series, theory and practice meet head on as education expert Professor Dylan Wiliam set... donderdag 30 januari 2020 Duik in de prijslijst: opties op de BMW M2 CS Red Man Best bijzonder, de BMW M2 CS is duurder dan de BMW M4 Coupé of BMW M4 Cabrio. Hoe groot zijn de verschillen? En ... Het leuke DIY kanaal vol leuke knutsel dingen, koken, bakken, silhouette technieken, verven, tekenen, low budget tips, kleien, textiel bewerken, cameo, flex, cameo ... De video laat je zien hoe je in Excel-cellen lijstjes kunt inrichten om bij invoer daaruit te kunnen kiezen. Ook nu weer wordt middels het contrast de verschillen in de vorm duidelijk gemaakt. Beide metaprogramma's hebben hun nut afhankelijk van rol en context en kunnen natuurlijk ook in een (adequate ...

http://forex-portugal.forexnz.website